|

Vergroten |
De Vlucht van de 'Snip'"Het zal onnoodig zijn U in bijzonderheden
uiteen te zetten, van welk een overwegend belang het is, dat de
Nederlandsche luchtvaart vasten voet krijgt in de omgeving van de
Caraïbische zee, alwaar het luchtverkeer thans meer en meer een factor van
economische beteekenis wordt." |
|
Het was maart 1934 en met bovenstaande argumenten hoopte Albert Plesman,
directeur van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij, financiele steun te
krijgen van het Comité Vliegtocht Nederland-Indie. Het was geen nieuw plan om te vliegen naar de West. Al in
1928 onderzocht een jonge piloot, Jan van Onlangs, de mogelijkheid van een
tocht van Amsterdam naar Curaçao. Voordat zijn plannen verwezenlijkt
konden worden, overleed hij echter. De KLM, die werd opgericht in 1919,
had zich in haar eerste jaren vooral gericht op een luchtlijn met de Oost,
maar in de loop van de jaren twintig begon de maatschappij meer
belangstelling te tonen voor het luchtverkeer in het Caraïbische gebied.
Curaçao was zich gunstig aan het ontwikkelen door de aanwezigheid van de
olieraffinaderijen en een groeiend aantal mensen wist het aangename
klimaat te waarderen voor een vakantie. Luchtvaartmaatschappijen hielden
deze zaken in de gaten en een aantal begon te onderzoeken of er
verbindingen mogelijk zouden zijn tussen de Verenigde Staten, Curaçao en
Zuid-Amerika. Vooral Pan American Airways werd actief in het gebied en nam
Curaçao op in haar lijnennet. Het Westindische Gouvernement zorgde voor
een landingsbaan bij de plantage Hato op Curaçao.
Ook de Colombiaanse
SCADTA en de Compagnie Générale Aéropostale uit Frankrijk zochten naar
uitbreiding en onderzochten de mogelijkheid Curaçao op te nemen in hun
dienstregeling.
De Nederlandse regering stuurde een afvaardiging die de
situatie moest gaan bekijken: U.F.M. Dellaert, de directeur van de
Luchthaven Schiphol en D. de Vries, een KLM'er. De twee maakten een
rondreis van twee maanden door het gebied. Zij stelden een rapport op
waarin aandacht werd besteed aan mogelijke landingsterreinen, betrekkingen
met het buitenland, medewerking van regeringen, etc, Het voornaamste dat
van hen verwacht werd, was een advies over de mogelijkheid van een
1uchtnet in het gebied.
De uitkomsten waren niet rooskleurig, maar aan het
einde van 1933 kwam Plesman desondanks met twee verrassende plannen: de
KLM zou gaan meedoen aan de Melbourne-race en wilde tevens ter gelegenheid
van het driehonderdjarig bestaan van de betrekkingen tussen Curaçao en
Nederland een speciale vlucht uitvoeren naar de West.
Jan van Onlangs, Dellaert en De Vries hadden natuurlijk naar nog een
belangrijk aspect gekeken van de luchtroute naar het Caraïbische gebied:
hoe kan de KLM veilig de oversteek maken tussen Afrika en Zuid-Amerika, de
verbinding tussen beide continenten, waarbij zo kort mogelijk over zee
gevlogen hoefde te worden?
|