OP 22 December 1872 kwam de gepensionneerde kolonel der
Genie Simon Prince uit Nederland op Curaçao aan. Wat dit nu met het
muziekleven op Curaçao te maken heeft gehad, zal ik hieronder vertellen.
Kolonel Prince, zoals hij altijd genoemd werd, was in 1814 op Curaçao
geboren en is zeer jong naar Nederland gegaan. Nadat hij zijn studie
doorlopen en daarna zijn militaire loopbaan afgelegd had, keerde hij op
Curaçao terug. Hij was een uitstekende violist en een grote
muziekliefhebber. Op Curaçao aangekomen, trof hij hier als commandant van
het garnizoen aan Kapitein, later Majoor J.W.O. van Dijck, die ook violist
was. Zeer spoedig verrees het tweede strijkkwartet van Curaçao, bestaande uit
Kolonel Prince, eerste viool, Kapitein van Dijck, tweede viool, Mathias
Daal, viola, en Agustin Bethencourt, violoncel. Het eerste strijkkwartet is
inmiddels ter ruste gegaan.
Dat deze heren het ernstig meenden met de beoefening van het kwartetspel
bleek uit verschillende verhalen, die ik over hen hoorde, waarvan ik er een
paar zal navertellen. Trouw kwamen de heren wekelijks bij elkaar aan huis.
Een keer leek het, alsof Kolonel Prince niet aanwezig zou zijn, omdat het op
die avond stortregende, zoals het wel eens op Curaçao kan gebeuren.
Aangezien hij op de berg Altena woonde en de bijeenkomst bij Mathias Daal op
het Molenplein was, begon men de hoop reeds op te geven toen aan de deur
geklopt werd en Kolonel Prince kletsnat, met zijn viool in een deken
gewikkeld onder de arm, binnenstapte. Hij werd door de regen een beetje
opgehouden, omdat hij de weg lopende moest afleggen.
Een tweede verhaal: Het gebeurde wel eens, dat er bezoek kwam, als de heren
aan het musiceren waren. Zolang de bezoekers hen niet stoorden, hadden zij
er geen bezwaar tegen. Bij een dezer gelegenheden waren de bezoekers wat
luidruchtig in hun gesprek. Dit konden de heren niet hebben. Bethencourt, die
altijd zeer goed geluimd was, stond op, nam zijn cello en lessenaar op en zeide: "Mijne heren, laten wij in de keuken gaan spelen, daar zullen wij
onze gasten niet storen". Tableau! .
Hoe heerlijk het kwartetspel, zowel voor spelers als voor toehoorders ook
is, verhalen als het volgende, kunnen van het tegendeel getuigen.
Zekere persoon stond hier bekend zeer a-muzikaal te zijn. Een keer, dat het
strijkkwartet bezig was een van de kwartetten van Beethoven te spelen en
bedoelde persoon met aIle aandacht het spel gevolgd had, kwam deze na afloop
belangstellend vragen wat de heren zo even gespeeld hadden. Quasi verheugd
over deze verandering in de gevoelsstemming van betrokkene, vroeg een der
leden of hij het zo mooi gevonden had, waarop het ontnuchterend antwoord
volgde: "Neen, mijn jongen, als ik een volgende keer die naam op het
programma zie staan, kom ik helemaal niet".
Als typisch bewijs van liefde voor de muziek en van de
gemoedelijkheid in het oude Curaçaose leven moge het volgende staaltje
dienen:
Van 4 Januari 1876 tot 22 October 1881 vertoefde hier op het eiland de
soldaat Jacques Joseph Bartholomy, Fransman van geboorte, afkomstig van het
Franse leger, die uitstekend viool speelde. Zoals wij
weten gaat het artist zijn vaak samen met het veel in het glaasje kijken.
Zulks was ook het geval met Bartholomy. Bij de soldaat past dit echter niet,
zodat hij vaak gestraft moest worden. Nu gebeurde het niet zelden dat
Bartholomy 's avonds uit zijn strafcel gehaald werd om bij de Commandant,
samen met kolonel Prince muziek te komen maken. Wat zou de wereld ervan
zeggen, als nu ook zo iets eens gebeurde? Bartholomy heeft aan menige
Curaçaonaar vioolles gegeven, o.a. aan de zoon van Kapitein Van Dijck: Johan
van Dijck, die een heel goede violist en leraar is geworden. Aangezien Johan
van Dijck vrijwel steeds buiten Curaçao heeft gewoond, is hij hier
betrekkelijk weinig op de voorgrond getreden. Een zijner beste Curaçaose
leerlingen is geweest Mej. Julie de Jongh, die op zeervroege leeftijd is
overleden, tot groot verlies voor het Curaçaos muziekleven.