In Februari 1895 trad de befaamde Portugeese
pianist Moreira de Sa in de Loge De Vergenoeging op. Volgens de aankondiging
zou in de Venezolaanse en andere bladen met grote lof van zijn meesterlijk
spel gewag gemaakt zijn. Stukken van Chopin, Rubinstein en Gottschalk en
andere beroemde toonzetters zouden door hem op de meest bevredigende wijze
vertolkt worden.
In dit jaar ontviel op 21 Augustus Christiaan Alardus Ulder de rij der
musici op Curacao. Dat zijn verdiensten zeer gewaardeerd werden, getuigt
hetgeen de Amigoe di Curacao in het nummer van 24 Augustus over hem schreef,
n.l.:
"In den heer Ulder is onze kleine maatschappij een veelszins verdienstelijk
en begaafd man ontvallen. Is onder de schoone kunsten op ons eiland
beoefend, de muziek het best gekend en gewaardeerd, een groot deel der
verdienste hiervan kome toe aan den overledene, die door zijn drukke lessen
in den krachtigsten levenstijd niet alleen technische vaardigheid, maar ook gehoor en goede smaak bij zijn leerlingen wist te ontwikkelen. Daarenboven
bekleedde de overledene met eere den post van kapelmeester onzer schutterij,
waarmede hij dien van kapelmeester van het garnizoen vereenigde. En dat deze
muziekkorpsen mogen gehoord worden, mag hier bij wijze van huldezeker
vermelding vinden. Als op ons heerlijke Curacaosche avonden het genot eener
wandeling langs of van een tochtje op het water nog verhoogd werd door de
tonen van een welluidende muziek, dan hebben wij wellicht nooit bedacht aan
welken arbeid en inspanning wij die vermeerdering van ons genoegen dankten,
en daarvan zal geen sterveling ons een grieve maken, maar nu de
verdienstelijke kapelmeester is heengegaan, voegt het ons te gevoelen en te
erkennen, dat hij onze burgerij menigwerf aan zich verplicht heeft. Het is
overbekend, dat Ulder ook een aantal goede composities heeft geschreven,
welke als men bedenkt, dat hij zich zeIf geheel alleen heeft gevormd, zeer
gunstig getuigen van zijn talent. Zijn omvangrijkste werk is een Mis met
orgelbegeleiding. Minder van algemeen belang, maar zeer vereerend voor den
overledene was de wekelijksche heen en terug rit naar het Weeshuis van Santa
Rosa, dien hij zich de laatste twee jaar trouw getroostte om daar met
onverstoorbaar goed humeur de ouderloozen te helpen met de vorming van een
harmonie, waarvoor hij kosteloos ook de instrumenten leverde".
Ulder werd als kapelmeester van de schutterij door Joseph Sickman Corsen,
als organist van de Nederlands Portugees Israelitische Gemeente door A.
Charlouis en als kapelmeester van de militaire kapel door mijn vader
Johannes Petrus Boskaljon opgevolgd. Deze zette de door Ulder aangevangen
muzieklessen aan de weesjongens van Santa Rosa, tevens voort tot het
tijdstip, dat het weeshuis onder leiding van de Paters Salecianen kwam te
staan en dezen ook het muziekkorps overnamen.
Hiermede zijn wij aan het ogenblik gekomen, waarop ik mijn vader in deze
verhandeling moet betrekken.
Johannes Petrus Boskaljon dan, werd op Curacao
geboren op 17 April 1863 als zoon van Willem Boskaljon en Johanna
Pieternella van Dommen. Hij trad op zestienjarige leeftijd in militaire
dienst. Kende toen geen noot zo groot als de kazerne. De beweerde
muzikaliteit van de familie hebben wij zeker niet te danken aan mijn
grootvader, de eerste van die naam, die in 1860 op Curacao aankwam. Hij was
in het geheel met muzikaal aangelegd en had waarschijnIijk, omdat hij uit
Buurmalsen in de Betuwe kwam meer verstand van knollen dan van noten.
Spoedig na zijn indiensttreding kwam mijn vader op het gelukkig idee om
muziek te gaan leren. Hij gaf zich derhalve op om tot muzikant te worden
opgeleid. Van zijn oom Frederik de Jongh kreeg hij fluitles, daarna leerde
hij ook tenorhoorn. Toen hij een tijd lang met de muziek bezig was, werd hij
voor de keus gesteld om of zijn muzikale studies stop te zetten teneinde
opgeleid te worden voor de hogere rangen of met de muziek door te gaan. De
liefde voor de muziek, die reeds in hem wakker was geworden deed hem tot het
laatste besluiten, waarop de Commandant hem zeide: "Je hebt gelijk;
korporaal kun je altijd worden, muzikant niet".
Deze woorden zijn bewaarheid geworden, want hoewel hij bijna geheel zijn
drieenveertigjarige militaire loopbaan zich aan de muziek gewijd heeft,
heeft hij, wijl hij bij de administratie was ingedeeld, de hoogste militaire
rang, die op Curacao te bereiken was, behaald. Als beloning voor zijn
langdurige uitstekende diensten, heeft Hare Majesteit de Koningin machtiging
verleend om hem, in afwijking van de bestaande formatie, te bevorderen tot
Adjudant-onderofficier, hetgeen op 5 April 1920 geschied is.
Het spreekt welhaast vanzelf, dat, toen ik wat ouder werd en ook om het zo
uit te drukken in de muziek ging, hoewel ik de toonkunst nimmer als beroep
heb beoefend, mij het militaire muziekkorps ook aan het hart is gaan liggen
en wij samen dikwijls het wel en wee van dit korps bespraken. Enthousiast
musicus als hij was kon hij zich node neerleggen bij de militaire
bepalingen, die het korps dikwijls parten speelde. Niettegenstaande de
steeds fnuikende militaire bepalingen, die een uitbreiding van het
muziekkorps in de weg stonden, heeft hij er altijd naar gestreefd het korps,
hoewel klein in aantal, zo goed mogelijk voor de dag te laten komen.
Omtrent de verdiensten van mijn vader kan ik volstaan met onderstaand
artikel over te nemen, dat de 1ste Luitenant der Artillerie J. A. Snijders
Jr. in het nummer van 29 Juni 1905 van "De Soldatenkrant" over het
militaire muziekkorps op Curacao geschreven heeft.
"Gaarne voldoe ik aan het verzoek door de leden van het militaire
muziekkorps op Curacao tot mij gericht, om eenige woorden te voegen bij de
foto, welke hier aan de lezers van de Soldatenkrant aangeboden wordt. Het
muziekkorps van het garnizoen op Curacao bestaat niet uit beroepsmuzikanten,
doch zooals dat ook in vele garnizoensplaatsen in Nederland het geval is,
alleen uit dilettanten; militairen dus, die door hun muzikalen aanleg en
goed gedrag daar voor in de termen vallen; want het wordt ook hier onder de
militairen als een groote eer beschouwd tot het muziekkorps te behooren. Te
meer is dat een groot voorrecht, omdat zij dan onder de bekwame leiding
komen van den tegenwoordigen kapelmeester sergeant-majoor tit.
stafhoornblazer J.P. Boskaljon, die sedert een achttal jaren over dit
muziekkorps den dirigeerstok zwaait en het gebracht heeft tot een voor dien
tijd ongekenden bloei. Boskaljon is geboren op Curacao. Zijn vader, als
soldaat hier heen gekomen, heeft den hoogsten graad bereikt, welke de
loopbaan van den minderen militair kan afsluiten en is voor een paar jaren
overleden als gepensionneerd conducteur der artillerie 2e klasse adj.
onderofficier tit., nadat bij den lande trouw en eerlijk had gediend en op
een eervollen diensttijd van bijna 100 jaren kon wijzen. (De dienstjaren
tellen hier dubbel). Dat H.M. de Koningin zijne diensten waardeerde, toonde
de zilveren medaille van Oranje-Nassau, welke zijn borst versierde. De oude
Boskaljon heeft gewerkt zoolang hij kon en na zijne pensionneering heeft bij
slechts een half jaar van zijne welverdiende rust kunnen genieten, daar de
dood hem toen aan zijn familie ontrukte. Zijne nagedachtenis zal door mij
steeds in eere gehouden worden en het zal den zoon, ter wiens eere deze foto
hier in de Soldatenkrant prijkt, in zijn hart goed doen, hier nogmaals aan
zijn ouden vader den lof te hooren toezwaaien uit den mond van diens
laatsten chef. Het spreekwoord zegt: "De appel valt niet ver van den stam",
en zoo was het ook hier. Was de vader een voorbeeld van trouw en groote
plichtsbetrachting, ook van den zoon kan met denzelfden lof gesproken
worden. Hier geboren en het eiland nooit verlaten hebbende heeft hij door
zijn groot en ijver en volharding gebracht tot de eervolle positie welke hij
nu bekleedt. Thans doet hij dienst als schrijver op het garnizoens bureau,
terwijl hij al zijn verderen tijd besteedt aan de opleiding zijner
muzikanten. In de muziek is hij een self made man. Evenals de meeste
Curaçaonaars is hij van nature begaafd met een grooten muzikalen aanleg en
heeft hij zonder eenige opleiding zichzelf in muzikale richting ontwikkeld
tot eene hoogte, welke bewondering afdwingt. Het muziekkorps bestaat
behalve uit Europeanen, voor een groot gedeelte uit Curaçaonaars, die na
dienst genomen te hebben, door hun natuurlijken aanleg voor muziek al
spoedig in de termen vallen bij het muziekkorps geplaatst te worden. Niet
alleen dat Boskaljon hen aIle instrumenten leert bespelen, welke bij zulk
een korps gebruikt worden en waaruit zijne groote kennis van instrumenten
blijkt, hij is ook componist en menige Curaçaosche wals en danza (welke den
Hollander zoo eigenaardig in de oren klinken) van zijne hand, hebben de
beenen der danslustigen in beweging gebracht".
"Boskaljon met zijn muziekkorps is onmisbaar op
Curacao. Iederen Zondagavond doet de militaire muziek zich hooren op het
Gouvernementsplein en verder iederen Woensdagavond beurtelings in de
cantine en op eenige andere pleinen der stad. Op nationale feestdagen zijn
de muzikanten van 's morgens Vroeg tot 's avonds laat in de weer om de
feestvreugde te verhoogen. Er kan geen feest zijn ten gouvernementshuize of bij particulieren of Boskaljon mag niet ontbreken. Wordt onze haven door
vreemde oorlogsschepen bezocht, het is Boskaljon, die met zijn korps aan den
ingang der haven den vreemdeling met zijn volkslied begroet. Zoo bewijst
het muziekkorps groote diensten aan het gouvernement en aan de burgerij. De
inkomsten van het muziekkorps bestaan uit vrijwillige bijdragen van den hoog
edelgestrengen heer gouverneur en de officieren van het garnizoen, eene
bijdrage uit de militaire cantine en de opbrengst van uitvoeringen bij
particulieren. Van deze inkomsten moeten aIle instrumenten betaald worden,
alsmede de muziek en verdere benoodigdheden. Verder genieten de
kapelmeester en de muzikanten ieder eene maandelijksche toelage uit de kas
van het muziekkorps. Dat die toelage niet groot kan zijn, spreekt van zelf.
Het is bij lange na geen betaling voor de diensten, welke de muzikanten aan
het gouvernement en het publiek bewijzen. Te hopen is het dan ook, dat voor
het muziekkorps spoedig eene toelage op de koloniale begrooting moge
voorkomen, want Boskaljon en zijne discipelen verdienen zulks ten volle; te
meer daar het muziekkorps in Suriname eene toelage van f 600,- van gouvernementswege genieten en de garnizoenscommandant aldaar een groot deel
der muzikanten de titulaire graden van korporaal en sergeant kan
verleenen. Voor korten tijd heeft Boskaljon op feestelijke wijze den dag
gevierd, waarop hij voor 25 jaren in militairen dienst trad. Dat het den
ijverigen, kundigen en toch altijd zoo bescheiden man op zijn feest niet
ontbroken heeft aan vele bewijzen van belangstelling, zoowel van de zijde
zijner leerlingen als van de officieren en de burgerij, spreekt van zelf.
Die dag zal dan ook altijd bij hem in dankbare herinnering blijven. Dat ons
rnilitaire muziekkorps nog langen tijd onder de bekwame leiding moge
blijven van den kapelrneester Boskaljon en dat het dezen gegeven moge zijn
nog vele jaren te arbeiden voor de kunst, die hem lief is, is de wensch van
heel Curacao".
In Augustus van hetzelfde jaar, waarin het bovenstaande geschreven is, werd
ook de zoon J.P. Boskaljon begiftigd met de zilveren eere medaille
verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau.