De Antilliaanse "Kaha di Òrgel" of kortweg "Ka'i
òrgel" verdient in tal van opzichten onze interesse en waardering.
Allereerst vormt zij een speels element in onze folklore, door in belangrijke mate bij te dragen tot de verhoging van de gezelligheid, zowel in de stad als in de buitendistricten .
Zij is voorts als test-instrument voor bepaalde ritmes niet te evenaren. Tenslotte (en dit beseft men meestal niet) heeft zij een belangrijke rol gespeeld als muziekconserveringsmiddel. Zoals de ka'i
òrgel-muziek (zowel qua melodie als qua ritme) zo'n honderd jaar geleden klonk, klinkt zij nu nog. Het is alsof de tijd stil is blijven staan.
De geschiedenis van de ka'i òrgel begint in 1842, toen Adreas Ruth zijn eerste "cilin- derpiano" in Waldkirch, Duitsland, fabriceerde. Deze "cilinderpiano's" werden spoedig daarna in heel Europa populair. Zij kwamen onder diverse benamingen voor, o.a.: "piano-òrgel", "straat-òrgel", "cilinderòrgel". Bij ons "Ka' i
òrgel", "ka'i musica" en op Aruba "tingilingibox". Uiteraard zijn al deze òrgelnamen misleidend omdat er in de ka'i
òrgel geen òrgelpijp te bekennen valt. Betere benamingen zouden bijvoorbeeld zijn "kaha di piano" of "kaha di musica", welke laatste naam ook een meer neutraal karakter heeft. Maar aangezien de kaha di
òrgel afgeleid is van een echt òrgel met cilinders, is de naam ongewijzigd gebleven en spreekt men in de volksmond van "ka'i
òrgel".
Een omschrijving van de ka'i òrgel zou als volgt kunnen luiden:
Een type straatinstrument waarin een vrij simpel piano-mechanisme in werking wordt gesteld door een van pinnetjes voorziene cilinder die met behulp van een zwengel rondgedraaid wordt.
Bij de vroegere echte ka'i òrgel bracht de cilinder met de pinnetjes een heel serie
orgelpijpen in werking; de zwengel bediende namelijk tegelijkertijd de blaasbalgen en het ronddraaien van de cilinder.
Sedert de 16de eeuw gebruikte men een op hetzelfde systeem gebaseerd instrument in combinatie met een klokmechanisme.
De ka'i òrgels met pijpen bereikten hun hoogtepunt tegen eind 18de eeuwen begin 19de eeuw. Zij werden in miniatuur gebouwd als huiskamerpronkstuk, voorzien van vogels die er bij zongen. Ook werden zij op normale grootte gebouwd voor het spelen van psalmen in de dorpskerken. Interessant was het systeem dat elke ka'i
òrgel voorzien werd van drie cilinders, één cilinder voor kerkmuziek en twee cilinders voor amusementsmuziek. In sommige landen werden deze ka'i
òrgels voorzien van complete jazzbandinstrumenten. In Frankrijk gebruikte men de voorlopers van onze ka'i
òrgels als "test"-instrument voor bepaalde ritmische patroontjes.
Andere landen begonnen in de tweede helft van de 19de eeuw zich te interesseren voor de door Andreas Ruth gefabriceerde ka'i
òrgels. In die tijd werden voornamelijk uit Spanje (Barcelona) en Italië (Novara) ka'i
òrgels naar het continent van Amerika geëxporteerd. Zo kwamen de ka'i òrgels waarschijnlijk via Venezuela naar de Antillen. Uiteraard waren deze instrumenten van Spaanse en/of Italiaanse melodieén voorzien toen zij in Amerika aankwamen. Het duurde echter niet lang voordat onze muzikanten hetzogenaamde "geheim" van de ka'i
òrgel ontdekten en vanaf die tijd werden de Curaçaose ka'i òrgels regelmatig voornamelijk van lokale muziek voorzien. De bepaalde stijlen van onze folkloristische muziek konden hierdoor voor lange tijd intact bewaard blijven.
Nu is het wel zo dat niet alle soorten muziek geschikt zijn om in de ka'i òrgel geplaatst te worden. Inzekere zin heeft het instrument gelimiteerde mogelijkheden.
Inde eerste plaats moet men rekening houden met de omtrek van de cilinder, ten tweede moet men rekening houden met de toonaard voor de ka'i
òrgel, aangezien het instrument slechts de helft van het aantal tonen van een normale piano heeft; de meeste ka'i
òrgels hebben slechts 40 tonen tegenover 88 toetsen bij een piano. De tonen van de ka'i
òrgel worden bovendien verdeeld in drie groepen, de bourdongroep bestaande uit 9 bastonen, de begeleidingsgroep bestaande uit ongeveer
12 tonen en de melodiegroep bestaande uit ruim 20 tonen. Vanzelfsprekend zijn de grenzen tussen de begeleidingsgroep en melodietonen in zekere zin fictief.
Op de ka'i òrgel van de Antillen komen door de beperkte mogelijkheden slechts vijf majeur en vijf mineur toonaarden voor. Deze zijn D, A, E, B en Fis (majeur) en d, b, fis, gis en dis (mineur). Echter, wegens het ontbreken van de toon C op het instrument zijn in de praktijk slechts de toonaarden D, A, E, b en fis bruikbaar. Snaardempers komen alleen voor bij de bastonen van de bourdongroep. Door het gemis van dempers bij de overige tonen verkrijgt de ka'i
òrgel zijn typische resonerende klank.
Inde Curaçaose ka'i òrgel kunnen normaliter per cilinder acht verschillende muziekstukken worden geplaatst.
Voordat echter een cilinder kant en klaar is voor gebruik, moeten er vijf afzonderlijke handelingen plaatsvinden:
De muziek moet in de juiste toonaard voor de ka'i òrgel geschreven worden en gearrangeerd worden overeenkomstig het aantal maten dat op de omtrek van de cilinder kan worden geplaatst.
De cilinder moet eerst met blanco papier geplakt en glad gestreken worden voordat men met het markeren kan beginnen.
De muziek wordt door middel van een zogenaamde ka'i òrgel quadrant met behulp van speciaal voor dit doel geplaatste pinnetjes onderaan de hamertjes op
de blanco cilinder gemarkeerd.
Nadat alle acht stukken op de cilinder gemarkeerd staan, komt het zware werk van speciale pinnetjes op de gemarkeerde plaatsen tot een vaste, bepaalde hoogte in te slaan. Repeterende noten van 16de notenwaarden worden dieper ingeslagen.
De cilinder wordt dan gecontroleerd op eventuele notatie- of "spijker" - fouten. Dit is weer een vak op zichzelve. Hierna is de cilinder klaar om, na ingesmeerd te zijn, te worden gebruikt voor dansgelegenheden. Ka'i
òrgels gebruiken meestal als toonaard re en la majeur. Vooral de walsen worden in deze toonaarden geschreven. Vanzelfsprekend worden ook de toonaarden van mi en si majeur gebruikt zodra de stukken dit vereisen. Naar analogie worden
in mineur meestal de toonaarden van si en fa kruis mineur gebruikt.
Er zijn twee soorten cilinders: de zogenaamde enkele en de zogenaamde dubbele cilinder. De cilinders worden meestal van "white pinex" gemaakt en mooi rond gedraaid, waarop daarna gewoon papier geplakt wordt.
Voor een enkele cilinder met acht muziekstukken zijn er ongeveer 5000 spijkertjes vereist, voor een dubbele cilinder ongeveer 7000 spijkertjes.
De levertijd van een speelklare cilinder varieert tussen 12 en 18 dagen, afhankelijk van de soort stukken die geplaatst moet worden.
Links op de koperen cilinder waaromheen de "white pinex" gedraaid is, worden 8 groeven gedraaid, welke dienen om de "plaats" van elk muziekstuk op de cilinder te bepalen.
De eerste drie groeven corresponderen met de eerste drie walsen, de andere groeven verschillen soms, doch normaliter is het zo dat de tumba als laatste op de achtste groef staat. Meestal komen dan de polka's, mazurka's, danza's, joropo's, foxpolka's en andere niet Antilliaanse ritmes tussen de 3de en de 8ste groef.
Bij tweedelige walsen wordt altijd het eerste deel een keer en het tweede deel twee keer genoteerd om het totaal van acht en veertig maten niet te overschrijden. Om dezelfde reden wordt bij de driedelige wals geen enkel deel gerepeteerd.
Bij een danspartij wordt meestal gebruik gemaakt van drie verschillende cilinders, dus totaal 24 verschillende nummers per danspartij. Dit lijkt misschien weinig, doch als men nagaat dat elk stuk ongeveer 15 minuten lang wordt gespeeld, dan begrijpt men dat je drie cilinders gemakkelijk zes uren zonder repeteren kan spelen.
De pionier van onze ka'i òrgel was ongetwijfeld de heer Horatio Jules Sprock (geboren 5 juni 1866 - gestorven 25 september 1949).
Als jongeling was hij naar Venezuela vertrokken en rond 1880 kwam hij in Barquisimeto bij een Italiaanse ka'i
òrgel expert uit Milaan terecht. Het was de eerste keer dat Horatio een ka'i
òrgel zag.
Die Italiaan was een groot kenner van de mechaniek van ka'i òrgels, een instrument dat toentertijd erg in de mode was in Venezuela.
Hij was echter erg zuinig met zijn zogenaamde "secreto di ka'i òrgel" (geheim van de ka'i
òrgel). Elke avond bedekte hij de ka'i òrgel met een stapel kranten opdat men niet kon zien wat hij gedaan had. De jonge Horatio Sprock mocht
hem met allerlei onbelangrijke en lastige karweitjes helpen, maar zodra het er op aankwam om de "kneepjes" van het vak te leren, mocht de jonge Horatio niet meer zien wat
meneer deed. Hij verzon meteen een of andere boodschap om Horatio weg te krijgen.
De Italiaan had het vak waarschijnlijk geleerd bij de firma "Ditta Pombia" te
Novara, een kleine stad in de buurt van Milaan. De Ditta Pombia fabriek heeft toentertijd veel instrumenten geëxporteerd naar het continent Amerika.
Bovendien verbeeldde deze Italiaan zich dat hij de enige ka'i òrgel expert in Barquisimeto was, vandaar zijn geheimzinnig gedoe.
Hij begon met het maken van nieuwe cilinders voor de oorspronkelijke ka' i
òrgels uit Italië. Uiteraard moest de muziek welke hij op de cilinders markeerde liefst van Venezolaanse makelij zijn.
Naast de vele merengue's, golpe's, pasaje's, paso doble's en walsen, kwam steevast een joropo op elke cilinder voor.
Horatio Sprock had enorme interesse voor alles wat met de ka' i òrgel te maken had en zo goed en zo kwaad als het ging heeft hij toch kans gezien een groot gedeelte van de "secreto di ka'i
òrgel" te achterhalen. Tevreden was hij echter niet, hij stuurde daarom zijn broer Luis Sprock naar Milaan om een en ander grondig te bestuderen.
Helaas is dit anders verlopen dan Horatio zich voorgesteld had. Zijn broer kon zoals hij later zei niet opschieten met die "ongure Italianen". Eerlijk gezegd werd hij bang voor deze typen en keerde onverrichterzake naar Curaçao terug. Ondertussen had Horatio zelf een quadrant ontworpen (zie foto pag. 81) en was hij begonnen stukken op zijn eerste ka'i
òrgel te plaatsen. In 1898 was het zover en kon hij met zijn ka'i òrgel die hij de naam "Josefina" gaf, in de straten van Barquisimeto debuteren. Geruime tijd heeft hij met zijn "Josefina" goed geld met collectes verdiend.
Enige tijd daarna keerde Horatio Sprock naar Curaçao terug alwaar hij weldra met het opzetten van een ka'i
òrgel bedrijf te Jongbloed begon. Dat was in 1912 toen hij samen met zijn broer Luis Sprock en Rudolf Th. Palm een soort ka'i
òrgel driemanschap vormde. Dòdò Palm zorgde voor het arrangeren van de te markeren muziekstukken, Horatio voor het markeren van de cilinders en Luis voor het plaatsen van de spijkertjes, waarna Horatio weer voor de correctie zorgde.
Verder waren ook Antonio Henriquez en Shon Kai Peiliker bij het bedrijf behulpzaam. Eerstgenoemde fungeerde als assistent en zorgde tevens voor het vervoer van de ka'i
òrgels naar de stad en naar de dansgelegenheden, terwijl laatstgenoemde belast was met het stationeren en verhuren van de ka'i
òrgels.
'
De ka'i òrgels van Horatio werden zo zeer populair op de Antillen.
De vraag naar ka'i òrgels was toen zo groot dat Dòdò Palm naast zijn werkzaamheden voor het driemanschap in de Ijzerstraat 40 een eigen eenmansbedrijf had, waar hij geheel alleen ka'i
òrgels volledig speelklaar maakte.
Tot ongeveer 1940 verzorgde Curaçao de ka'i òrgels'voor alle Antilliaanse eilanden. Indie tijd begon Rufo Wever op Aruba zijn eigen ka'i
òrgel-bedrijf. Vóór die tijd moest men uit Aruba voor nieuwe cilinders of andere veranderingen steeds met de boot naar Curaçao, met het gevolg dat er nogal wat kapot ging.
Rufo Wever heeft met de ka'i òrgel van zijn oom geëxperimenteerd en na een tijd was het zover dat hij zijn eerste ka'i
òrgel voor een feest moest klaarmaken.
Na dit "debuut" bij het feest ten huize van Francisco Croes, dat voor Rufo overigens een daverend succes werd, kwamen de ka'i
òrgel-liefhebbers val). Aruba allemaal bij Rufo om nieuwe cilinders te laten maken. Wat als een soort hobby bij Rufo
was begonnen, werd daarna een compleet ka'i òrgel-bedrijf dat hij tot aan zijn overlijden heeft voortgezet.
Was het bedrijf op Curaçao in handen van diverse personen, op Aruba kon de geniale Rufo Wever praktisch alles zelf doen. Hij componeerde zelf verschillende ka'i
òrgel-stukken, arrangeerde, markeerde, spijkerde de pinnetjes op de door hem zelf
klaargemaakte cilinders, corrigeerde zelf de ka'i òrgels op eventuele fouten; dat allemaal precies op dezelfde manier als toentertijd Dòdò Palm op Curaçao deed.
Rufo begreep vanaf het begin dat de ka'i òrgel een ideaal instrument was om onze folklore te conserveren. Hij had vroeger veel van de ka'i
òrgel-partituren van Horatio Sprock gezien en kon zich oriënteren op de diverse ritmische patroontjes die werden toegepast, kortom Rufo was wat je noemt een echte "arrangeur-toneur".
Weldra werden de aanvragen bij Rufo voor ka' i òrgels op Aruba, Bonaire en Curaçao zo groot dat hij een wachtlijst moest maken om iedereen tevreden te houden.
Op Aruba vinden regelmatig zogenaamde ka'i òrgel-contests plaats. Hierbij dingen behalve de mannelijke bespelers van ka'i
òrgels ook enkele bespeelsters mee en zulks niet zonder succes. In 1975 b.v. werd mevrouw Chanita Vrolijk met haar ka'i
òrgel "Gloria" uit 1925, met Felix Marius aan de wiri, winnares van het ka'i
òrgel-contest.
Een bijzondere eigenschap van de ka'i òrgel is de reeds gesignaleerde mogelijkheid voor het testen van de "dansbaarheid" van sommige muzikale notaties.
Er is wel eens beweerd dat een tumba in 5/8 maat geschreven kan worden in plaats van in de gebruikelijke 2/4 maat. Op de ka'i
òrgel wordt deze bewering duidelijk gelogenstraft. De markering in 5/8 maat is niet te dansen.
De vele ka'i òrgel-foto's, speciaal voor dit boek gemaakt door W. T. Productions, zullen de lezers een goed idee geven van dit interessante instrument.
De ka'i òrgel "El Cantor" is er een uit de collectie van Dr. Alberto Ridderstap te Aruba.