De tijd van de "villancicos", "areïtos", "cantares" en de "cuatro"
Het Spaanse volk heeft van oudsher een bijzondere voorliefde voor de zang gehad. Gedurende de emigratie in de zestiende eeuw naar Amerika, heeft het deze liefde naar dit werelddeel meegebracht.
In die tijd werd het zingen begeleid door de cuatro en later door de gitaar. De liedjes die toen door de kolonisten en de zeevaarders gezongen werden, waren voornamelijk villancicos.
Een villancico kan zijn:
1. Een Spaans-Arabisch georiënteerd lied uit de vijftiende eeuw, bijvoorbeeld de villancico "El viejo" met zijn Moorse oorlogstekst.
2. Een liefdeslied in z.g. madrigaal-vorm, zoals "Angel de amor" uit de zestiende eeuw.
3. Een kerstlied uit latere tijd (na de zeventiende eeuw), o.a. de populaire "Los Pastores".
De cuatro had in de tijd dat Curaçao ontdekt werd (1499), de vorm van een kleine gitaar, doch met slechts vier snaren. Vandaar de naam cuatro (= vier). Dit instrument werd tussen 1150 en 1250 door de Moren naar Spanje gebracht.
Volgens de Spaanse geschiedschrijvers was het de musicus Vicente Espinal (1551- 1642) die een vijfde snaar aan de "cuatro" toevoegde. Dit instrument werd onder de naam "cinco" (= vijf) populair. Later werd de naam "cinco" veranderd in "guitarra". Weer later werd
er een zesde snaar aan dit instrument toegevoegd en zo onstond onze huidige gitaar, die als volgt wordt gestemd:
E¹-A¹-D-G-B-e. De notatie is een octaaf hoger dan de werkelijke klank.
De Venezolanen hebben de "cuatro" in de loop der jaren enigszins omgebouwd. Vergeleken met de originele "cuatro" heeft de Venezolaanse "cuarta" (zoals het op Curaçao wordt genoemd) een grotere klankbodem en een bredere hals, terwijl er bij het staartstuk en bij de snaarschroeven veranderingen zijn aangebracht. De Venezolaanse "cuarta" wordt als volgt gestemd: a
-
d¹
- fis¹- b, terwijl de notatie
op normale hoogte is.
Onze beroemde Curaçaose cuartista HenkeI, stemde zijn cuarta meestal een kwart hoger om brillantere akkoorden te krijgen. Soms gebruikte hij ook dubbele eerste en derde snaren om bepaalde effecten te krijgen.
De liefdesliedjes (madrigalen en villancicos) die de Iberische kolonisten vanaf de zestiende eeuw naar het Caribisch gebied brachten, hebben (zoals later na de samensmelting met de Indiaanse en Afrikaanse ritmiek is gebleken) een basis gevormd waarop de muziek van deze regio werd opgebouwd.
Dit is o.a. te horen in de Mexicaanse "corrido" van Spaans-Indiaanse afkomst, de "danza" van Puerto Rico, de ,Joropo" van Venezuela, de "son", de "habanera" en de "rumba" van Cuba, de "pasillo" van Colombia, de "merengue" van de Dominikaanse Republiek en deels de "danza" en de "tumba" van de Antillen. De "rancheras" van Mexico hebben minder invloed van de Afrikaanse ritmiek ondervonden. Inhet algemeen, en volgens de Portorikaanse folkloriste Montserate Deliz in het bijzonder, is het zo dat al onze muziek en folklore een zekere relatie met de Ibero- Amerikaanse landen hebben behouden.
De Indiaanse bevolking had vóór de komst van de Spanjaarden haar eigen liederen, primitieve instrumenten en dansen. Bij de komst van de Spanjaarden vierden de z.g. "areïtos" hoogtij.
Een "areïto" kan zijn:
1. Een Indiaans lied, dat de Indianen vóór de komst van de Spanjaarden in het Caraibisch gebied bij speciale gelegenheden zongen.
2. De dans die bij dit lied werd uitgevoerd.
De "areïtos" en "cantares" werden van vader op zoon overgebracht.
Terwijl wij wel weten dat de Spanjaarden in 1492 ontdekten dat de Indianen de tabak kenden, weten wij praktisch niets met zekerheid van de Indiaanse muziek van toen. Van de muziek en muziekinstrumenten van de Indianen uit het Nederlands- Antilliaans gebied is er zo goed als niets concreets overgebleven.
Folklorische muziek ontstaat gewoonlijk bij het artistieke individu, soms een bekende, soms een totaal onbekende persoon op muziekgebied. Sommige Indiaanse stammen, die lezen noch schrijven konden, maakten liederen, z.g. "cantares", die direct daarna tot de folklore gingen behoren. (Dit gebeurt trouwens tegenwoordig nog steeds over de hele wereld door mensen die ook nooit muziek hebben leren schrijven).
Op Curaçao is er echter (voorzover mij bekend) nooit iets gevonden van de muziek van de Indiaanse bevolking van het pre-Columbiaanse tijdperk.
Over de grotere Caraïbische eilanden en over het vasteland van Zuid-Amerika werd door ooggetuigen en geschiedschrijvers het een en ander verteld, waardoor men een idee kon krijgen van de muziek, muziekinstrumenten en de dansen van de Indiaanse stammen van toen.
Voor wat betreft de muziekinstrumenten van de Indianen in het Caraïbische gebied is met zekerheid vastgesteld, dat zij een type trom genaamd "mayohuacan" hadden, dat van hout gemaakt werd zonder vel er omheen gespannen. Het geluid van deze "mayohuacan" was uiteraard xylofonisch. Ook gebruikten de Antilliaanse Indianen een grote schelp van zeeslakken ("karkó") als hoorn en tevens kleine fluiten uit beenderen van dieren gemaakt. Verder maakten zij "maracas" uit schelpen.
Waarschijnlijk hadden zij meer van deze primitieve instrumenten, die nooit werden opgemerkt door de kroniekschrijvers. Dit vermoeden is gegrond op het feit dat
anderen melding maken van een diversiteit van instrumenten die de Indianen gebruikten om vreugde, droefheid en woede uit te drukken.
Het geluid van sommige Indiaanse "mayohuacan" trommen had een reikwijdte van meer dan één mijl. Waarschijnlijk gebruikten de Indianen diverse soorten trommen bij het begeleiden van hun "areïtos", hetgeen is af te leiden uit het feit dat
de Spanjaarden in sommige Indiaanse dorpen honderden van deze trommen aantroffen. Merkwaardig is dat de kroniekschrijvers beweren dat de Antilliaanse
Arowaken Indianen niet erg muzikaal waren, hoewel zij hun eigen muziek, zang en dans hadden.
Vaak bezongen de Indianen met hun "cantares" uren
-
en ook wel eens dagenlangvoorvallen en belangrijke episoden uit het verleden. Men kan de collectief gezongen "cantares" van de Indianen enigszins vergelijken met de hedendaagse werkliederen. Na de komst van de Spanjaarden, werden dezen ook in de "cantares" betrokken want de Indianen zongen "cantares" over hun leven van vóór de komst
van de Spanjaard, hoe de Spanjaard zich van het land en hun vrouwen meester maakte, hoe zij hun lekker leven door de komst van de Christenen kwijt raakten, enzovoorts.
Het voornaamste expressie middel van de Caraïbische Indiaan was echter de "areïto", bestaande uit een groot ensemble van muziek, zang, dans en pantomime, dat op religieuze bijeenkomsten, en bij magische rites, heldendichten, stamverhalen en volksreferendums optrad.
Merkwaardig is dat in die tijd soortgelijke evenementen eveneens in Afrika plaats vonden.
Twee ooggetuige geschiedschrijvers uit die tijd, waren Francisco de Gómera en Gonzalo Fernández de Oviedo. Interessant is vooral de beschrijving van Gonzalo Fernández de Oviedo:
"Tenian estas gentes una buena e gentil manera de memorar las cosas pasadas e
antiguas y esto era en sus cantares e bailes, que ellos llaman areyto, que es lo mismo que nosotros llamamos "bailar cantando". Quando querian aver placer, celebrando entre ellos alguna notabIe fiesta, o sin ella por su pasatiempo, juntabanse muchos indios e indias, aIgunos veces los
hombres solamente y otros veces las mujeres por si, y las fiestas generales, asi
como por una victoria o vencimiento de los enemigos, o casandose el cacique o rei de la provincia
o por otro caso en que el placer fuese comunmente de todos, para que hombres e mujeres se mezclasen. Por mas extender su alegria e regocijo, tomabanse de las manos algunas veces
e tambien otras tratabanse brazo con brazo ensartados o asidos muchos en rengles (o en corro asi mismo) e uno d'ellos tomaba el oficio de quiar (orafuese
hombre o mujer) y, aquel daba ciertos pasos adelante e atras a manera de contrapas mui ordenado e
lo mismo (y en el instante) hacen todos, e asi andan en torno, cantando en aquel tono
alto o baxo que la quia los entono e como lo hace e dice, mui medida e concertada la cuenta de los pasos con los
versos o palabras que cantan. Y asi aquel dice, la multitud de todos responden con los mismos pasos e palabras e orden; e en canto que le responden, la guia calla, aunque no cesa de andar el contrapas y acababa la respuesta, que es repetir
o delo mismo que el quidador dixo, procede encontinente sin intervalo la guia a otro, verso en palabras, que el corro e todos toman a repetir, e asi sin cesar, les tura esto tres
o quatro horas y mas, hasta ya veces maestro o quiador de la danza acaba su historia ya veces les tura desde un dia hasta otro . . ."
De "maestro" of "guiador de la danza" werd "tequina" genoemd. Andere Spaanse geschiedschrijvers beweren verder dat de "areïtos" dikwijls erotisch waren en soms in woeste bachanale orgieën konden uitlopen, waarbij deze uitspattingen tevens het einde van zo'n "areïto" betekenden. Een van de meest legendarische areïtos was de z.g. "areïto" van Anacaona in Santo Domingo (zie apocrief "areïto antillano").
Men krijgt de indruk, dat de muziek van de Indianen voornamelijk vocaal was, gezien de zeer primitieve muziekinstrumenten die er gevonden werden, waardoor ook wordt aangenomen dat de Caraïbische Indianen wel degelijk konden zingen.
Filosoferend kan men zeggen dat op het moment dat op Nederlands-Antilliaanse bodem een Spanjaard in aanwezigheid van een Indiaan een "villancico" zong en zich daarbij met de "cuatro" begeleidde, onze muziek geboren werd.
Voor die Indiaan betekende dit een ander soort muziek dan zijn conventionele pentatonische "areïtos" en "cantares".
De meeste later in druk verschenen apocriefe Indiaanse muziek is uiteraard niet
authentiek. (zie foto van apocriefIndiaanse muziek van de Yaquis Indianen).
De zestiende eeuw, de tijd van de "villancicos", areïtos", "cantarês" en de "cuatro" was voor zowel de Indianen als voor de Spanjaarden en de Afrikanen een beslissend tijdperk. Vooral de "cuatro" raakte als nieuw instrument goed ingeburgerd.
In genoemde eeuw werd op Aruba een Heilige Mis gelezen door een priester uit Coro (Venezuela), waarbij de Indianen deze dienst met de "cuatro" en de fluit begeleidden. .
Invloeden van Indiaanse muziek zijn op de Nederlandse Antillen niet aanwijsbaar. Invloed van de Spaanse muziek vindt men indirect terug in onze danzas, die via Puerto Rico werden ingevoerd, via de Venezolaanse joropos in onze ka'i orgel, via Colombia in onze "pasillos" én de tumba via de Dominikaanse Republiek. Misschien zelfs in onze tumbas van de negentiende eeuw. Dit laatste is echter nooit
bewezen.
Met de komt van de Afrikaanse slaven kwam er een zeer belangrijke factor in de muziek van onze regio. Met deze slaven kwam ook de Afrikaanse ritmiek die samensmolt met de invloeden van Europese immigranten. Deze samensmelting
bereikte haar hoogtepunt medio negentiende eeuw toen onze muziek uiteindelijk haar eigen vorm kreeg.