CaribSeek | CaribSeek Books | Curacao Books | Curacao


 

  Hoofdmomenten uit de Staatkundige Ontwikkeling van de Nederlandse Antillen | Foto Galerij

Advertisement


1. De Koloniale Raad

Een mijlpaal in de staatkundige ontwikkeling van de Westindische gebieden is het Regeringsreglement van 1865. Voor Suriname viel dit Reglement gunstiger uit dan voor Curaçao (het gehele grondgebied later de Nederlandse Antillen genaamd). Immers, Suriname kreeg het recht zijn volksvertegen-woordiging zelf te kiezen, terwijl de Koloniale Raad van Curaçao enkel uit benoemde leden zou bestaan. Theoretisch heette het dat Suriname en Curaçao in 1865 zelfbestuur kregen. Zij konden o.m. de begroting voorlopig vaststellen, behoudens de goedkeuring van de Kroon, zonder medewerking van de Staten-Generaal.

Tot 1901 was de Koloniale Raad samengesteld uit de leden van de Raad van Bestuur als vaste leden en uit acht door de Koning benoemde leden. De Raad van Bestuur, met de Gouverneur als voorzitter, maakte dus in zijn geheel deel uit van de Koloniale Raad. Met andere woorden, de leden van de Raad van Bestuur hadden zitting ex officio, d.i. krachtens hun lidmaatschap van de Raad van Bestuur. Zij werden niet door de Koloniale Raad voor benoeming voorgedragen, traden evenmin om de vier jaar af. Zij werden onmiddellijk door de Koning benoemd, geschorst of ontslagen. Hier deed zich het verschijnsel voor, dat de vaste leden niet als eigenlijke vertegenwoordigers, maar slechts als instrumenten of spreekbuizen van het Bestuur werden beschouwd. Als eigenlijke vertegenwoordigers zag men nota bene de slechts op aanbeveling van de Koloniale Raad benoemde leden. Hoe onafhankelijk de vaste leden zich (soms) ook betoonden, in het oog van de "bevolking" droegen zij toch altijd het stempel van minderwaardigheid. Immers, niet zij, maar de "gekozen" leden werden door de "bevolking" als zijn vertegenwoordigers beschouwd. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat de Raad van Bestuur hoofdzakelijk bestond uit vanuit het moederland uitgezonden hoofdambtenaren, terwijl de Koloniale Raad veelal bestond uit de lokale elite.

Vanaf 1901 dankte de Koloniale Raad zijn samenstelling aan de wijziging van het Regeringsreglement dat bij de wet van 20 februari 1901 werd vastgesteld. Artikel 67 bepaalde dat de Koloniale Raad moest worden samengesteld uit dertien leden, door de Koning te benoemen. Het eerste onmiddellijke gevolg van deze wijziging was dat de gehele Raad van Bestuur niet langer deel bleef uitmaken van de Koloniale Raad. Voortaan zou de Koloniale Raad een zelfstandig College zijn. Dit werd in brede kringen als een aanzienlijke verbetering beschouwd. Het tweede gevolg was dat de Koloniale Raad na de exodus van de leden van de Raad van Bestuur, uit slechts 8 leden bestond en dus met vijf nieuwe leden moest worden aangevuld.

In de zitting van de Raad van 6 mei 1901 werden tot nieuwe leden gekozen de heren: Moses Curiel, C. Statius Muller, Mr. G. B. Gorsira, Charles Jones en H. H. R. Chapman. Deze vijf nieuwe leden ontvingen hun benoeming bij Koninklijk Besluit van 15 juni en werden geïnstalleerd in de zitting van de Koloniale Raad van 12 augustus d.a.v. De heren E. O. E. van Bossche en J. E. van der Meulen waren de eerste voorzitter en ondervoorzitter van deze nieuwe Raad.
Behoudens de voorzitter en de ondervoorzitter nam de gehele Raad ontslag in 1906 na een conflict onder het bestuur van Gouverneur De Jong van Beek en Donk. De reden voor de ontslagaanvragen was de overtuiging dat een samenwerking met het Bestuur onmogelijk was.

Na het Regeringsreglement van 1 januari 1866 was de Koloniale Raad niet louter adviserend doch ook wetgevend lichaam, behoudens het recht van de Gouverneur om een door de Koloniale Raad goedgekeurde verordening niet vast te stellen en de macht van de Koning om een door de Gouverneur vastgestelde verordening te vernietigen. De Gouverneur was gehouden de Raad van Bestuur te horen en goedkeuring van de Koloniale Raad te bekomen alvorens hij een ontwerp tot wet kon verheffen.

Reeds in 1865 zijn er stemmen opgegaan tegen de Koloniale Raad als stelsel. De volksvertegenwoordigers in de Staten-Generaal bleven constant hameren op de noodzaak tot wijziging, In 1910 noemde het Tweede Kamerlid Van Kol het stelsel "de oorzaak van het jarenlange wanbeheer op Curaçao".zie noten Hfdst.1 Er waren verschillende bezwaren tegen het stelsel. Op de eerste plaats als vertegenwoordiging, omdat de Koloniale Raad niet rechtstreeks door de bevolking werd gekozen. Zij was geen weerspiegeling van het volk. Velen wantrouwden een stelsel dat zichzelf aanvulde.

Een belangrijk gevolg van het feit dat de Koloniale Raad zichzelf aanvulde was, dat daarin nagenoeg uitsluitend het eiland Curaçao vertegenwoordigd was. Zelfs Aruba, na het eiland Curaçao het belangrijkste gebied in de kolonie, was niet altijd vertegenwoordigd in de Koloniale Raad. Mede ten gevolge van het feit dat de Koloniale Raad samengesteld was uit vertegenwoordigers van feitelijk één der 6 eilanden, ontstond er op de Bovenwindse eilanden een roep om afscheiding. Karakteristiek voor de mentaliteit die in die dagen heerste onder de leden van de Koloniale Raad was de reactie van een lid, dat hij die afscheiding begeerde, omdat hij daarin een paar ton voordeel zag voor de Benedenwindse eilanden.

De bevolking van Curaçao was in grote meerderheid katholiek. De moederlandse Regering hield daarmee rekening, zoals bleek uit de achtereenvolgende benoemingen van katholieke Gouverneurs.Daarentegen vertoonde de Koloniale Raad een samenstelling waarin de rooms-katholieke bevolking naar evenredigheid niet genoegzaam vertegenwoordigd was.
Een ander bezwaar tegen de Koloniale Raad was dat hij was samengesteld uit een kleine intellectuele minderheid (voor missionarissen bestond geen plaats in de Raad), die elke geestelijke band met de eigenlijke inheemse bewoners miste. In bepaalde gevallen scheen het lidmaatschap van de Koloniale Raad op de eerste plaats slechts te hebben gediend om eigen privé belangen te bevorderen.

De onderscheiden Ministers van Koloniën waren niet ongevoelig voor de vele bezwaren die zowel in de kolonie als in het moederland tegen het instituut werden gemaakt. Over het algemeen waren de bewindslieden van mening dat de waarborgen voor het tot hun recht komen van de wensen van de gehele bevolking in de Koloniale Raad, niet gezocht moesten worden in de aanbeveling die de Raad zelf opmaakte voor zijn aanvulling. Die waarborgen lagen veeleer opgesloten in het feit dat de Koloniale Raad slechts aanbevelingen doet, waarvan de Kroon, al of niet op voordracht van de Gouverneur, kon afwijken en daarvan ook wel eens is afgeweken.

Het volgende diene ter illustratie van dit eigendunkelijke ministeriële optreden. In 1919 werd de heer W. Ch. de la Try Ellis, buiten voordracht om, met ter zijde stelling van de heren David de Marchena Jr. (jood) en Jossy Cohen Henriquez (jood), tot lid van de Koloniale Raad benoemd.
De eigenlijke reden voor de benoeming van de heer Ellis moet wellicht gezocht worden in het feit dat hij rooms-katholiek was. De rooms-katholieke Gouverneur en de Regering vonden blijkbaar dat de overwegend rooms-katholieke bevolking naar evenredigheid niet genoegzaam vertegenwoordigd was met slechts twee leden in de Raad
tegen zes protestanten en vijf israëlieten. Maar de benoeming van de heer Ellis was slechts de druppel die bij de verschillende leden van de Koloniale Raad de emmer deed overlopen. Immers, het geval Ellis stond niet los van een reeks handelingen door Bestuur en Regering, waardoor naar de mening van de Koloniale Raad de reeds beperkte autonomie van de kolonie verder werd beknot. Regelmatig werden maatregelen getroffen buiten de Koloniale Raad om. Keer op keer werden begrotingsposten, die door de Koloniale Raad afgestemd werden, in Nederland weer op de begroting gebracht. De Koloniale Raad heeft dan ook niet geaarzeld het geval Ellis te baat te nemen om zijn gevoelens, in een motie van afkeuring vast te leggen.

"De Koloniale Raad, overwegende, dat het in den laatsten tijd herhaaldelijk voorkomt, dat de Regering van het Moederland afwijkt van de beslissingen van de Raad, laatstelijk zelfs van een voordracht van den Raad tot vervulling van een opengevallen plaats in hun midden;
overwegende, dat die gedragslijn het aanzien van de Raad ernstig schaadt in die mate zelfs dat de beste krachten onder de ontwikkelde bevolking van de Kolonie niet meer in aanmerking wenschen te komen voor het lidmaatschap van dat College;

overwegende, dat de wijze waarop het wetgevend lichaam door de Regeering als 't ware op zijde wordt geschoven, in brede kringen ontstemming veroorzaakt tegen het Nederlandsch Bestuur in het algemeen; van oordeel dat de geest, die op deze wijze wordt aangekweekt, niet is in het belang van het Moederland, noch in dat der Kolonie; vertrouwt dat de Regeering in den vervolge meer dan tot dusverre rekening zal willen houden met het oordeel van den Kolonialen Raad.

En gaat over tot de orde van de dag".zie noten Hfdst.1 Deze motie was onderte-kend door de volgende leden:

F. W. P. Winkel,
Ed. S. Lansberg,
E. M. Penso,
Edwin Senior,
H. Statius Muller,
J. C. B. Forbes,
Dr. J. P. Evertsz,
S. M. C. Maduro
C. S. GorsiraJ. P. E. zn.

Echter kon deze motie de Nederlandse Regering er niet toe brengen haar beleid te wijzigen. Zij beriep zich op haar eigen verantwoordelijkheid jegens de kolonie, redenerende dat zij te kort zou schieten indien zij, na grondige overweging van de zaak tot de overtuiging gekomen dat haar handeling in het belang der kolonie zou zijn, geen gebruik zou maken van haar bevoegdheid om af te wijken van 's Raads kenbaar gemaakte gevoelens.

Welbeschouwd, kon er tussen de periode 1865 - 1936 slechts gesproken worden van een surrogaat-autonomie in de kolonie Curaçao. Immers, de artikelen 49 en 50 van het Regeringsreglement van 1865 lieten de moederlandse Regering het recht een doorlopend toezicht uit te oefenen op de verordeningen die in Curaçao uit de samenwerking van Gouverneur en de Koloniale Raad totstand kwamen Aan de Regering werd de gelegenheid geboden in te grijpen door de bepaling dat een koloniale verordening in het algemeen niet in werking trad, dan nadat de minister had doen weten dat hij er zich mee kon verenigen, althans, dat hij ze niet voor ver- nietiging voordroeg, of wel, nadat zes maanden waren verlopen sinds van die verordening aan de minister kennis was gegeven. Hier werd dus aan de Regering het recht gegeven, de regeling van vrijwel elk onderwerp aan zich te trekken en bij Algemene Maatregel van Bestuur te regelen.

Alle moederlandse bepalingen van hoger toezicht ten spijt, in de twintiger jaren werd zelfbestuur ook in de kolonie Curaçao een eis des tijds. Het regeersysteem waardoor de bevolking van de kolonie Curaçao in de praktijk geheel naar de inzichten van de Regering, de Staten- Generaal of de door de Regering aangestelde Gouverneur bestuurd werd, wekte langzamerhand een geest van ontevredenheid, ja zelfs van verbittering, tegen alles wat officieel Hollands was. In bepaalde kringen vreesde men dat een en ander vroeg of laat zou leiden tot zeer onaangename en ongewenste gevolgen. De zucht naar autonomie beperkte zich niet tot de leden van de Koloniale Raad maar kwam b.v. ook tot uiting in het rapport van de Belastingcommissie, ingesteld in het jaar 1919. *De heren meenden dat naast een ernstig streven naar meer bezuiniging, ook meerdere zeggenschap aan de kolonie moest worden toegekend. Immers, de autonomie, zoals neergelegd in het Regeringsreglement, bleek een wassen neus te zijn omdat de Koloniale Raad geen volledig budgetrecht had.

Mede ten gevolge van het ontbreken van een vertegenwoordigend lichaam was het politiek leven in Curaçao zeer weinig ontwikkeld. Van eigenlijke politieke partijen, dus van organisaties waardoor de verschillende stromingen onder het volk invloed op het Bestuur konden krijgen, was er niet of nauwelijks een eerste begin. Derhalve waren de controle en de invloed, welKe de publieke opinie op de gang van zaken bij het Bestuur van de kolonie kon hebben, buitengewoon zwak.
Het feit dat de Koloniale Raad het prestige miste dat alleen een vertegenwoordigend lichaam (in de ware zin van het woord) kon bezitten, had tot gevolg dat de machtspositie van de Gouverneur buitengewoon sterk was.

Gelukkig dat men ook in het moederland inzag dat er een spoedig einde moest komen aan deze koloniale onmondigheid.
In 1920 hebben verschillende kamerleden, vooral Van Kol en Van Vuuren, nog eens een lans gebroken om deze "ailerongelukkigste" vertegenwoordiging de wereld uit te helpen. De toenmalige Minister van Koloniën, Idenburg, beloofde dat zodra er een algemene herziening ZOL.; komen van het Regeringsreglement, de nodige veranderingen in overweging genomen zouden worden.

Die herziening, op zichzelf reeds gewenst, was ook noodzakelijk geworden door de Grondwetsherziening van 1922 in verband met artt. 60 - 62. Bij beschikking van de Minister van Koloniën d.d. 27 april 1922, werd een commissie van advies benoemd, inzake de herziening van de Westindische Regeringsreglementen. Als voorzitter van die commissie werd benoemd de heer G. J. Staal, oud-Gouverneur van Suriname. Het doel van de beoogde herziening was o.m. de verwezenlijking van het beginsel volgens hetwelk als regel de inwendige aangelegenheden van het gewest aan de aldaar bestaande organen dienen te worden overgelaten.

Reeds op 29 maart van het volgend jaar bood de commissie haar verslag aan, vergezeld van de ontwerpen van "Wetten op de Staatsinrichting" oftewel nieuwe Regeringsreglementen voor Suriname en Curaçao.
Er was echter een schril contrast tussen de voortvarendheid waarmede de Commissie Staal zich van haar taak had gekweten, en de onbekwame traagheid die men vervolgens aan de dag legde, zodat de herziening van de Westindische Regeringsreglementen een ware lijdensgeschiedenis werd. Herhaalde vragen van kamerleden vermochten de situatie niet te veranderen. De zonderlinge toestand ontstond dat, terwijl er, blijkens artikel 61 van de Grondwet zoals die sinds 1922 luidde, in elk der drie buiten- Europese Rijksgebiedsdelen een vertegenwoordigend lichaam moest zijn, de Staatsregeling die een en ander mogelijk moest maken, pas in 1936 tot stand kwam.

*) (G.B d.d. 8 oktober 1919 no. 1169).

< Vorige | Volgende >
 



 

Content © Dr. A.F. Paula 1988 - 1989 Copyright © CaribSeek 2003 - All Rights Reserved