You are here

I.1 Isla De Los Gigantes

  • Sharebar

Het eiland Curaçao is naar algemeen wordt aangenomen op 26 juli van het jaar 1499 ontdekt door een Spaanse expeditie, onder leiding van Alonso de Ojeda. Van deze expeditie maakten ook deel uit Amerigo Vespucci en Juan de la Cosa, bekend om zijn "Mapa Mundi" die in 1500 verscheen en de toen bekende wereld in kaart bracht.

Verschillende historici menen echter een vraagteken te moeten plaatsen achter dit als vaststaand aanvaard gegeven. Het is niet zeker dat Curaçao op 26 juli ontdekt werd, net zo min als het zeker is dat het Alonso de Ojeda was die als eerste het eiland signaleerde of er als eerste voet aan wal zette. Het scheepsjournaal is niet bewaard gebleven.

De expeditie van Ojeda bestond uit verschillende schepen en het is niet uitgesloten dat de kapitein van een van de andere schepen als eerste op het eiland stootte. De ontdekking wordt toegeschreven aan Ojeda omdat hij de leider was van de expeditie.

Wat betreft de dag waarop het eiland ontdekt zou zijn, heeft men omdat de haven van het eiland door de Spanjaarden was gewijd aan de H. Anna, wier feestdag op 26 juli valt, deze datum doorgaans als historisch juist aangehouden. Bewijzen hiervoor in enig scheepsjournaal zijn er echter niet.

Felice Cardot die een goed gedocumenteerde studie heeft gepubliceerd over de geschiedenis van het eiland in de Spaanse tijd plaatst de ontdekking van het eiland tussen de laatste week van juli en de eerste week van augustus (Felice Cardot,1973). Vanuit Curaçao is de expeditie naar het Zuiden gevaren waar men op 9 augustus in Paraguaná aankwam. Ojeda wordt ook beschouwd als de ontdekker van de Península de Paraguaná, en het gebied op de Noordkust van Zuid-Amerika waaraan hij de naam Venezuela (Klein Venetië) gaf.

Het eiland zou na de ontdekking in sommige kronieken worden aangeduid als "Isla de los Gigantes" (het eiland der reuzen).

Deze benaming had het te danken aan Vespucci die in één van zijn brieven over zijn reizen naar de Nieuwe Wereld, die tussen 1504 en 1510 zijn verschenen, ook verslag uitbracht van zijn belevenissen op Curaçao. Hij verhaalt hierin dat hij en enkele van de scheepsgezellen die hem vergezelden bij de verkenning van het eiland, stootten op enige hutten, die onbewoond leken. In één van deze hutten troffen zij tot hun verbazing vijfvrouwen aan "de estatura tan alta que las mirabamos con asombro" (die zo groot waren dat wij met verwondering naar hen keken). Even later kwamen ook enige mannen de hut binnen; "mucho más grandes que las mujeres, hombres tan bien hechos que era admirable verlos..." (zij waren nog groter dan de vrouwen, zo goed gebouwd dat het bewonderenswaardig was hen te zien).

Dit voorval, of beter gezegd het verhaal dat Vespucci hierover schreef, heeft ten grondslag gelegen aan de naam "Isla de los Gigantes" waarmee Curaçao een korte tijd in de 16de eeuw is aangeduid (Felice Cardot,1973). Interessant is dat Vespucci helemaal geen melding maakt van "reuzen" op Bonaire, dat de expeditie voor de aankomst op Curaçao moet hebben aangedaan (Haviser,1991). De naam "Isla de los Gigantes" heeft geen stand gehouden. In zijn "Historia de las Indias" merkt Las Casas ten aanzien van het verhaal over "la isla de los Gigantes" op: " aquella debia ser la [isla] que llaman los Indios Curaçao" (... dat moet het eiland zijn dat de Indianen Curaçao noemen) (Zie Eeuwens/ Hulsman, 1936).

Zoals dikwijls met oude kronieken het geval is, zal ook dit verhaal meer op fantasie dan op de werkelijkheid berust hebben. De kroniekschrijvers waren geen geschiedschrijvers: zij schreven reisimpressies waarin hun perceptie van de werkelijkheid, gekleurd door hun denkwereld en de projectie van eigen ideeën en verlangens, een grote rol speelde.

In het geval van Curaçao zijn enige elementen aan te wijzen die hebben kunnen leiden tot deze gekleurde perceptie van de bewoners van het eiland als uitzonderlijk groot.

In de eerste plaats leefden de ontdekkers van de Nieuwe Wereld mentaal nog in de Middeleeuwen. In hun wereld kwamen allerlei mythologische figuren als Titanen, Amazones, demonen en reuzen voor.

Hun waarneming werd niet alleen hierdoor gekleurd maar ook door hun geloof. Zij dachten in een paradijselijke wereld terecht te zijn gekomen die bewoond werd door mensen die niet getroffen waren door de zonde van Adam en Eva en naar ziel en lichaam ongeschonden waren gebleven.

De grens tussen de wereld van de werkelijkheid en die van het geloof en de verbeeldingwas erg diffuus.

Het is verder een bekend feit dat de Mediterrane volkeren uit die tijd niet groot waren, terwijl Indianen in het algemeen als "goed gebouwd" beschreven werden, o.a. door Columbus. Zij oogden waarschijnlijk daardoor groter dan zij in werkelijkheid waren. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat zij gemiddeld niet groter waren dan 1.55 - 1.65 m., dus beslist niet excessief groot (Tacoma, 1990)

De omstandigheden waaronder de ontmoeting plaatsvond, zullen ook een rol gespeeld hebben: in een vreemde wereld, vol werkelijke en ingebeelde gevaren, waar zij "tastend" hun weg zochten, bevonden zij zich plotseling oog in oog met de bewoners van het eiland op een plaats waar zij dat niet verwacht hadden. Hadden zij zich waarschijnlijk al bij het begin van hun tocht niet op hun gemak gevoeld, bij het zien van de mannen sloeg hen de schrik om het hart. Vespucci geeft dat onomwonden toe als hij opmerkt: "nos turbaron tanto que mejor hubiéramos querido estar en las naves que encontrarnos con tal gente" (hun verschijning bracht bij ons zulke ontsteltenis teweeg dat wij wensten liever op onze schepen dan bij zulke lieden te zijn) (Felice Cardot, 1973).