You are here

I.3 Juan De Ampiés En Lázaro Bejarano

  • Sharebar

Deze "encomendero" aan wiens zorg de eilanden Curaçao, Bonaire en Aruba in 1526 bij "Provisión Real" van 17 november werden toevertrouwd was Juan de Ampiés. Hij heeft zelfwaarschijnlijk nooit voet aan wal gezet op Curaçao, hoewel zijn schip in 1528 het eiland wel aandeed op weg naar Coro. Hij was in feite meer geïnteresseerd in Coro en was zeer teleurgesteld toen dit gebied door Karel V, die grote schulden had bij de Fuggers en de Welsers, bankiers uit Augsburg, in 1528 aan deze Duitse financierders werd toevertrouwd. Hij reisde dat jaar nog naar Coro met een groep Spaanse kolonisten om dat gebied te gaan bevolken. Hij stootte daar echter op Ambrosius Alfinger, de vertegen-woordiger van de gebroeders Bartolomeus en Antonius Welser. Tijdens zijn verblijf op het vasteland vestigde hij zich in het dorp van de "cacique" Manaure waar eerder, in 1527, zijn zoon geweest was. Toen hij het gebied in 1529 op bevel van Alfinger weer moest verlaten, schijnt een kleine vestiging, die zijn zoon had gesticht, in het dorp achtergebleven te zijn die door sommigen beschouwd wordt als de aanvankelijke stichting van de stad Sta. Ana de Coro. Anderen schrijven de stichting van de stad toe aan Alfinger. Ramos Perez heeft een omvangrijk boek geschreven over dit geschilpunt in de geschiedschrijving van Venezuela over wie uiteindelijk de stichter van Coro was, de zoon van de Ampiés of Alfinger (Ramos Perez, 1978).

In Coro zelf wordt 1527 aangehouden als het jaar waarin de stad gesticht werd. De Ampiés, die "Factor y Regidor" (Koninklijke Bestuursambtenaar) in Hispañola (Sto. Domingo) was, is altijd daar blijven wonen. Hij heeft kennelijk niet veel mogelijkheden in Curaçao gezien. In feite heeft hij zich niet aan zijn "encomienda" (opdracht) gehouden die voorschreef dat hij zich het lot van de Indianen moest aantrekken en op hun bekering tot het Katholicisme moest toezien.

Uit de verslagen van zowel Spaanse als Hollandse zijde over de eerste dagen na de landing van de Hollanders op het eiland zijn de volgende nederzettingen bekend: in de eerste plaats het dorpje Sta. Ana (Pueblo de Nuestra Señora Sta. Ana), niet ver van het huidige Schottegat gelegen, ongeveer op de plaats waar nu de Capriles Kliniek staat; vervolgens het gehucht Ascención (Pueblo de la Madre de Dios de la Ascención) gelegen ten Noorden van de Baai van Sta. Cruz en verder San Juan, dat aan de Zuidkust lag en tot kort voor de landing van de Hollanders nog bewoond schijnt te zijn geweest.

De oorspronkelijke hoofdvestiging van de Spanjaarden is echter Sta. Bárbara geweest.

Na de dood van de Ampiés (1533), erfde zijn dochter Maria de Ampiés de hem toegekende rechten. Maria droeg haar geërfde bevoegdheden over aan haar man, Lázaro Bejarano, die bij machtiging namens haar het feitelijke bestuur over de Benedenwindse eilanden ging voeren. Hij vestigde zich in 1539 op het eiland en stichtte er de nederzetting Sta. Bárbara. In tegenstelling tot zijn schoonvader moet hij wel mogelijkheden gezien hebben in Curaçao. Zowel Maria als haar moeder schijnen op Sta. Bámbara gewoond te hebben.

Op Sta. Bárbara liet Bejarano in 1542 de eerste kerk van Curaçao bouwen. De kerk was in natuursteen opgetrokken en had een houten dak bedekt met een mortellaag van leem (Felice Cardot, 1973).

Kort voor de komst van de Hollanders moeten de Spanjaarden deze nederzetting verlaten hebben om zich, met de Indianen die bij hen in dienst waren, in het dorp Sta Ana te vestigen. Wat de reden van deze verhuizing is geweest, is niet bekend. Het is niet uitgesloten dat zij in de "Bahia de Sta. Ana", niet ten onrechte, een betere haven zagen voor de verbinding met de overkant, i.c.Coro. In 1565 kreeg Bejarano overigens op Sta. Bárbara onverwacht bezoek van de beruchte piraat John Hawkins, die op één van zijn rooftochten door het Caribisch gebied ook Curaçao aandeed. Bejarano zag zich genoodzaakt 1000 huiden, 2000 schapen, en verder varkens en kippen aan Hawkins als schatting te betalen (Felice Cardot, 1973). Hoewel men kan twijfelen aan de exactheid van de aantallen die genoemd worden in de kronieken die Felice Cardot aanhaalt, moet Bejarano op Curaçao een niet onaanzienlijk fortuin hebben opgebouwd. Zijn welvarende hacienda op Sta. Bárbara genoot grote bekendheid in het Caribisch gebied en is ongetwijfeld voor Hawkins een aantrekkelijk doelwit geweest op zijn rooftochten door het gebied.

Van Bejarano is bekend dat hij vooral handel dreef met Hispañola in producten van het eiland (huiden) en veel minder met Coro, dat toen nog economisch niet veel voorstelde. Zijn schepen voeren af en aan tussen de twee eilanden.

John Hawkins had er kennelijk wel zin in gekregen, want twee jaar later stand hij weer voor de deur, deze keer in gezelschap van de niet minder beruchte Francis Drake. Er moet op dit eiland in de 16de eeuw toch wel het één en ander te balen zijn geweest.

In 1634 vonden de manschappen van Van Walbeeck en Le Grand bij hun verkenning van het eiland bij Sta. Bárbara een verlaten nederzetting met een vervallen kerkje. Men trof daar ook een fraai aangelegde "tuin" aan met bananen, limoentjes, oranjeappelen, granaatappelen en wat vee. Alles wees erop dat Sta. Bárbara een belangrijke nederzetting moet zijn geweest.

De meeste precolumbiaanse nederzettingen, die nu bekend zijn als vindplaatsen van artefacten van Indiaanse oorsprong waren in 1634 reeds verlaten of maar schaars bewoond, zoals het dorpje San Juan, dat volgens Spaanse kronieken in 1620 nog door 80 Indianen moet zijn bewoond. Het eiland moet ook toen nog een zekere welvaart gekend hebben.

Naar Gonzalez Batista vermeldt zouden er toen op het eiland 10 duizend runderen, 14 duizend schapen, 2 duizend geiten, 6 duizend paarden en muilezels zijn geweest (Gonzalez Batista, 1989). Ik ben geneigd ook de exactheid van deze aantallen in twijfel te trekken. Er zit wel een indicatie in dat op het eiland aan het begin van de 17de eeuw van een zekere welvaart sprake is geweest.

Trouwens ook de aantallen die Juan Mateos later na de capitulatie van het eiland in Caracas noemde zijn nog indrukwekkend. Hij verklaarde dat na hun vertrek er nog 3000 runderen, 1000 geiten, 11.000 schapen, 250paarden en 500 ezels op het eiland waren (Felice Cardot, 1973).

Noch Gonzalez Batista, noch Felice Cardot geven enige verklaring voor de achteruitgang die het eiland daarna heeft gekend.

Lopez de Morla, die toen de Hollanders het eiland in bezit namen, belast was met het bestuur van het eiland, stand aan het hoofd van een kleine kolonie Spanjaarden van niet meer dan 32 personen, waaronder 12 kinderen. Van enig effectief verzet tegen de manschappen van Van Walbeeck kan dan ook geen sprake zijn.

Volgens Gonzalez Batista is het eiland, met Aruba en Bonaire, tot de verovering door de West Indische Compagnie deel blijven uitmaken van de aan de Ampiés en zijn nakomelingschap bij uitsluitsel toegekende "título señorial hereditario" ( erfelijke "heerlijke rechten"). De eilanden maakten nog altijd deel uit van de aan de Ampiés toegewezen "Heerlijkheid".

Juan de Castellanos, de schrijver van het indrukwekkende epos: "Elegías de los Varones Ilustres", (Hartog,1961) vertelt hierover in zijn gedicht, waar hij het over onze eilanden heeft

[ Curaçao, Aruba y Bonaire ]:
"Al Juan de Ampiés, factor o tesorero" "en perpetuo gobierno fueron dadas"

(Curaçao, Aruba en Bonaire werden in blijvend beheer aan Juan de Ampiés gegeven)

Ramos meent dat hij dat van Bejarano had vernomen. Uitgesloten is het niet want hij heeft het eiland tijdens het bestuur van Bejarano bezocht en hem meerdere malen ontmoet (Ramos Perez,1978).

Lopez de Morla droeg de titel van "Capitán y Señor" (Gezagvoerder en Heer) en had als tweede man de "Mayordomo", Juan Mateos, de beheerder van het "landgoed", die ik hierboven al noemde.

Moet de vervallen toestand waarin het eiland bij de verovering verkeerde misschien toegeschreven worden aan het feit dat het in zekere zin particulier bezit was?

Volgens Hartog zou Baltasar de Montero tegen de manschappen van Van Walbeeck verklaard hebben dat ten gevolge van de grote droogte die er geheerst had veel vee was doodgegaan.

Het civiele gezag op de "Costa Firme" (de Vaste Kust aan de overkant, ook weleens de Spaanse Kust genoemd) waar Curaçao, Aruba en Bonaire overigens niet onder vielen, bleek bij de overdracht van het eiland aan de Hollanders slecht op de hoogte te zijn van de situatie op Curaçao. Uit de beschrijvingen die Juan Mateos van Curaçao moest geven, blijkt dat men niet op de hoogte was van de geografie van het eiland.

Kerkrechtelijk viel het eiland bij de verovering onder de Bisschop van Coro en onder jurisdictie van de Audiencia van Sto. Domingo.