You are here

II.2 De Protestanten

  • Sharebar

Van de hierboven genoemde etnische groeperingen gaven de Noordwest- Europeanen de toon aan in de oude koloniale samenleving. Het waren merendeels Hollanders; aanvankelijk voornamelijk beambten en andere personen in dienst van de West Indische Compagnie, maar later ook particulieren die zich op het eiland vestigden vanwege de mogelijkheden die de handel bood. Daar waren ook Zwitsers, Schotten, Denen, Noren en Duitsers (West Falen) onder, getuige de geslachtsnamen van de oude families op het eiland.

Deze groep was voor het grootste deel protestant, hetzij Hervormd, hetzij Luthers, en zal verder worden aangeduid als "de blanke protestanten".

Alhoewel de verovering van Curaçao niet zozeer uit economische, maar veeleer uit strategische overwegingen was geschied, probeerde de Compagnie er na de 80-jarige oorlog economisch voordeel uit te halen.

De pogingen, die op instructie uit Holland werden aangewend om de landbouw te ontwikkelen, liepen alle schipbreuk vanwege het droge klimaat.

Meer succes dan de Compagnie hadden aanvankelijk de particuliere planters, de "vrije luyden", die wij in de 18de eeuw zien opkomen. Zij waren niet gebonden aan de wensen van de Compagnie wat betreft de levering van bepaalde producten en konden dus meer inspelen op de lokale behoeften. Rijk zijn zij er niet van geworden en velen hebben in soberheid hun leven gesleten. De soberheid van het huiselijke bestaan werd naar buiten toe gecamoufleerd door het type gedrag dat paste bij een blanke meester in een samenleving die steunde op slavernij van de neger.

Curaçao heeft zich nooit kunnen ontwikkelen tot een plantagekolonie en als er geld werd verdiend dan gebeurde dat in de handel.

De protestantse bevolkingsgroep vormde overigens geen eenheid.

In de eerste plaats moet ik wijzen op de sociale rangorde, die ongetwijfeld al gauw na de vestiging zal zijn ontstaan, gebaseerd op de sociale positie binnen de groep kolonisten.

Zo zal er in het begin een aanmerkelijk verschil in status zijn geweest tussen degenen die in het Fort Amsterdam mochten wonen en de anderen, die zich in de stad die zich achter het fort aan het vormen was, moesten vestigen. Er vond een verdere differentiatie plaats naarmate de groep in omvang toenam. Er gingen zich lokale sociale strata met lokale statussymbolen ontwikkelen.

De 18de eeuwse samenleving zal waarschijnlijk een duidelijk onderscheid te zien hebben gegeven tussen de wat Hoetink noemde "hogere" en "lagere" protestanten (Hoetink, 1958), zoals dat ook in de Franse kolonies het geval was met de "grand blancs" en de "petit blancs". De "hogere" protestanten vormden de aristocratie van de koloniale samenleving. Dat waren de vooraanstaande beambten van de West Indische Compagnie die de hogere bestuursfuncties bekleedden, de op het eiland aanwezige officieren families en de belangrijke kooplieden.

De groep der "lagere" protestanten zal bestaan hebben uit kleine handelaren, winkeliers, ambachtslieden, caféhouders, de op het eiland gevestigde soldaten en scheepsvolk en verder personen zonder een duidelijk beroep.

Tussen de aristocratische protestanten en de "lagere" protestanten was er sprake van een distantie, die misschien het best vergeleken kan worden met die tussen "officier" en "soldaat". (Hoetink,1958)

Als belangrijk distinctiesymbool ging in de 18de eeuw het bezit van een "landhuis" met " plantage" (in feite een grote tuin met ooftbomen en aanplantingen van voedingsgewassen) en het aantal slaven fungeren.

Wij hebben roer overigens met één van de merkwaardigste aspecten van de oude Curaçaose samenleving te maken n.l. dat het bezitten van een plantage en een aantal slaven dikwijls meer een statussymbool was dan een bedrijf om tot enige welstand te komen. De plantages hebben zelden enige betekenis gehad voor de levering van produkten voor de wereldmarkt. Men wilde daar veeleer de bereikte welstand mee kenbaar maken. In een gebied dat nooit enige betekenis gehad heeft als plantagekolonie, zouden de vele toch wel monumentale landhuizen, verspreid gelegen in het heuvellandschap, paradoxaal aandoen, tenzij wij die plaatsen tegen deze achtergrond. Wij kunnen dit gedrag het best typeren als een vorm van "conspicious consumption" in een gebied waar de plantage-economie in volle bloei was en gekenmerkt werd door een "waist economy".

Opvallend is dan ook de frequentie waarmee de plantages van eigenaar veranderden.

Niet alleen in sociaal, maar ook in godsdienstig opzicht vormden de protestanten geen eenheid. In de laatste decennia van de 17 de eeuw hadden zich n.l. ook Lutheranen op het eiland gevestigd, voornamelijk afkomstig uit Duitsland en de Scandinavische landen (Hartog, 1961). De gemeente werd toen bediend door een dominee van wie Hering zegt dat hij niet legaal tot de bediening van de Lutherse godsdienst was toegelaten (Hering, 1779). Nadat hij op last van de Heeren X het eiland had moeten verlaten, bleef de gemeente tot het midden van de 18de eeuw verstoken van een predikant. In 1757 werd Ds. Johan Georg Muller, afkomstig uit Leeuwarden, door de gemeente beroepen. Onder zijn leiding werd in Otrobanda, in de Breedestraat, een Lutherse kerk gebouwd.

Deze kerk werd tijdens de beschieting van de stad door de Engelsen in 1804 door een projectiel getroffen en brandde af. De gemeente, die de financiële middelen miste om de kerk weer op te bouwen, wendde zich tot Koning Willem I met het verzoek om de kerk van 's landswege te doen herbouwen. Dit verzoek werd afgewezen.

In 1825 werden de Lutherse en de Hervormde gemeenten verenigd in de nu nog bestaande Verenigde Protestantse Gemeente en kan men met betrekking tot Curaçao spreken van "de Protestanten". De toenmalige dominee van de Hervormde gemeente, G. B. Bosch, heeft bij deze fusie een belangrijke rol gespeeld.

Aangenomen kan overigens worden dat zich ook binnen de Lutherse gemeente lokale statusgroepen zullen hebben gevormd in de geest zoals eerder vermeld.