You are here

II.4 Het Negroïde Volksdeel

  • Sharebar

Curaçao, zagen wij, heeft in tegenstelling tot de meeste Caribische samenlevingen, geen plantage-economie gekend. Toch heeft de neger ook in deze samenleving een bijzonder belangrijke rol gespeeld vooral in het proces van cultuurmenging dat zich op het eiland heeft afgespeeld.

Al direct na de verovering van het eiland door de Hollanders treffen wij hier negers aan, die ter uitvoering van een decreet van de Heeren XIX van de West Indische Compagnie bij verovering op de Spanjaarden aan de direkteur op Curaçao moesten worden opgeleverd. Later, aan het einde van het direkteurschap van Peter Stuyvesant, die toen echter al in Nieuw Nederland gevestigd was (1642-1664), ontwikkelde Curaçao zich tot het centrum van de slavenhandel. Het eiland viel toen onder vice-directeur Matthias Beck (1655-1668), die door Stuyvesant bij zijn vertrek naar Nieuw-Amsterdam in die functie was benoemd (Schiltkamp,1989) De Hollanders hebben van omstreeks 1665 tot omstreeks 1715 een belangrijke rol in de levering van slaven aan de omringende kolonies gespeeld. Hun plaats werd toen ingenomen door de Engelsen, naar wie de grote "asiento" tot levering van slaven na de Spaanse Successie oorlog in 1713 was overgegaan (Goslinga,1977).

Deze handel, die voornamelijk gericht was op de voorziening van de Spaanse gebieden van werkkrachten, was gebaseerd op een overeenkomst tot het leveren van een bepaald aantal slaven. Zo'n overeenkomst, die wat betreft de Spaanse gebieden werd gesloten met de "Casa de Contratación" te Sevilla, een soort staatshandelshuis, heette een "asiento".

De West Indische Compagnie, oorspronkelijk opgericht om de erfvijand van de Republiek op zijn meest kwetsbare plek te treffen door de "eerlycke kaepvaert" in de Amerikaanse wateren, werd in de tweede helft van de 17de eeuw de belangrijkste leverancier van slaven aan de "asentistas". De "asiento" werd met andere woorden gesloten met een tussenpersoon (een "asentista"), die de slaven liet leveren door de West Indische Compagnie.

De belangrijkste inschepingshaven van de Compagnie was het fort op het eiland St. George D'Elmina dat voor de kust van het huidige Ghana ligt. De slaven waren overwegend afkomstig van de stammen aan de Golf van Guinea, van Loango en ook van de Slavenkust.

De leveranties gebeurden vanuit het depot op Curaçao, dat ook met "asiento" werd aangeduid. Hoewel het huidige "Asiento" associaties oproept met de tijd van de slavenhandel, heeft de plantage die oorspronkelijk met die naam werd aangeduid, geen rol gespeeld bij de uitvoering van de gesloten overeenkomsten. Een van belangrijkste slavendepots van Curaçao is wel de plantage Zuurzak (Sorsaka) geweest.

Duizenden slaven zijn bij de uitvoering van de "asientos" in de loop der tijden hier in- en daarna weer uitgevoerd.

Slechts een heel klein gedeelte van deze slaven bleef op het eiland achter.

Het zijn deze achterblijvers, de Afro-Curaçaoenaars, die van belang zijn geweest voor de structurering van de oude samenleving en voor de vorming van de eigen creoolse cultuur.

Elders in het Caribisch gebied werden de slaven onderscheiden in veld- of plantageslaven, ambachtsslaven en huisslaven (in feite huisbedienden). De huisslaven kregen in het algemeen een behandeling die in vele opzichten niet veel zal hebben verschild van die van de huisbedienden in Europa in die tijd. Als slaaf was hun lot echter geheel afhankelijk van het karakter en vooral de stemming en grillen van hun meester of meesteres.

Door de andere slaven werd tegen de huisslaven opgekeken, die immers op meer "intieme" voet verkeerden met hun meester of meesteres. Zij namen ook de als meer verfijnd beschouwde manieren van deze groep over. Men kan aannemen dat er een zekere sociale distantie was tussen deze groep huisslaven en de andere. De ambachtsslaven waren dikwijls ook een bron van inkomsten voor hun meester. Als er op de plantage niet genoeg werk was, werden zij verhuurd of kregen zij van hun meester toestemming geheel zelfstandig te werken op voorwaarde dat zij hun meester een vast bedrag per dag of per week afdroegen.

De meest actieve konden zich met de overgespaarde verdiensten vrij kopen tegen een van te voren overeengekomen bedrag.

Op Curaçao kwamen veelvuldig vrijlatingen (manumissies) voor. Van officiële zijde maakte men dikwijls bezwaar tegen dit systeem. Men voerde als argument aan dat het gevaar dan bestond dat de slaaf, indien hij niet tot enige verdienste kan komen, tot diefstal zou vervallen. In hoeverre deze opvatting gebaseerd was op feiten, danwel meer gezien moet worden als een uitvloeisel van het negatieve beeld van de neger in een slavenmaatschapij, valt moeilijk te achterhalen. Diefstal uit noodzaak is een algemeen menselijk verschijnsel, ook de arme blanke zal waarschijnlijk daartoe zijn toevlucht genomen hebben.

De veldslaven hadden het dikwijls zwaar te verduren. Zij waren ingeschakeld bij de zware veldarbeid. Zij moesten onder het wakend oog van de slaven- opzichter (de "bomba") zorgen voor de aanplantingen van de z.g. "maishi chikitu" (sorghum), het belangrijkste volksvoedsel. Daarnaast hadden zij de zorg voor de groente-aanplantingen en voor de hofjes met vruchtbomen. Als veehoeders moesten zij voor de koeien, geiten en schapen zorgen.

Aangezien op Curaçao niet van een plantage-economie gesproken kan worden, had de slavernij niet het karakter van een kapitalistisch economisch systeem waarbij het primair om de produktie van de slaaf als arbeidskracht ging, zoals dat op de andere eilanden in de regio vaak het geval was. Een typisch voorbeeld van dit kapitalistische produktiesysteem was de Franse kolonie Saint Domingue, waar vóór de opstand van 1791 en de stichting van de onafhankelijke negerrepubliek Haïti een "leger" van ruim 400.000 slaven voor een ongekende rijkdom op het eiland zorgde.

Kenmerkend voor de slavernij op Curaçao was de kleinschaligheid, die zeker van invloed zal zijn geweest op de meester-slaafverhouding.

In 1735 had 73% van de slaveneigenaars minder dan 5 slaven, in 1764 was het 66% en in 1863, bij de afschaffing van de slavernij, 62% (Römer, 1979).

Door deze kleinschaligheid heeft er op het eiland geen duidelijke differentiatie plaats gevonden van de drie genoemde categorieën slaven. Dezelfde slaven die veldarbeid verrichtten, deden ook diensten als handwerklieden, als timmerlieden en metselaars, of soms als koetsier of zelfs huisbediende. De categorieën waren slechts diffuus aanwezig (Römer, 1979). De algemeen gehanteerde indeling in veld-, ambachts- en huisslaven was op Curaçao hooguit op de grote plantages in het westen van het eiland van toepassing, hoewel ook slaven van deze plantages als er weinig werk was als ambachtsleden of ongeschoolde sjouwers in de stad werden verhuurd.

Ook op Curaçao zien wij al gauw rasvermenging plaatsvinden, wat het ontstaan van een mengtype, de mulat, in al zijn kleurschakeringen, tot gevolg heeft gehad. De mening die men dikwijls hoort verkondigen, dat deze mulatten door hun blanke vaders werden vrijgelaten, is niet juist. Wel is het aannemelijk, dat ofschoon zij als slaaf officieel gelijk stonden gewaardeerd als de negers en ook werden aangeduid als "lieden van de couleur", zij dikwijls door hun vader zullen zijn bevoorrecht.

Deze bevoorrechting heeft mede de basis gelegd voor de waarde die men binnen de groep van de vrije kleurlingen ging hechten aan de huidskleur voor de sociale waardering en dus voor de sociale stratificatie in deze samenleving.

Heden ten dage nog wordt men met regelmaat geconfronteerd met een hogere waardering van een naar blank tenderend somatisch uiterlijk.