You are here

II.6 De Post-Emancipatie-Maatschappij

  • Sharebar

De post-emancipatie-maatschappij die met de afschaffing van de slavernij in 1863 werd ingeluid, was een economisch en sociaal gestagneerde maatschappij. Sociaal en economisch kwam er voor de ex-slaaf nauwelijks verandering in de situatie. Hij bleef in grote mate afhankelijk van zijn vroegere meester. Evenals in de slavenmaatschappij was er overigens sprake van een wederzijdse afhankelijkheid, omdat ook de vroegere meester het niet zonder de gewezen slaaf kan stellen.

In de "kunuku", de buitendistricten, waren de ex-slaven voor landbouwgrond in het algemeen aangewezen op de plantages. Hoewel in naam vrije, zelfstandige kleine boeren, waren zij gebonden aan de plantages, waarvan de eigenaren hen onder feodale voorwaarden het gebruik van grond voor de landbouw toestond. Maar ook de plantagehouders, die met zware hypotheken op hun plantages en een chronisch liquiditeitsprobleem te kampen hadden, waren voor arbeidskrachten op hun vroegere slaven aangewezen. Deze in een eerdere publicatie (Römer,1979) door mij als symbiotisch gekarakteriseerde afhankelijkheid tussen meester en slaaf in de slavenmaatschappij had zich ook in de post-emancipatiemaatschappij voortgezet. De wederzijdse afhankelijkheid kreeg gestalte in de z.g. "paga tera"-overeenkomsten (paga tera=grondhuur betalen). Deze overeenkomsten, die van plantage tot plantage konden verschillen, kwamen in essentie hierop neer: de vroegere slaaf werd toegestaan op de plantage te blijven wonen in de reeds bestaande gehuchten en kreeg van de plantagehouder een stuk grond ter beschikking voor eigen gebruik. Hem werd toegestaan op de plantagegronden "maishi chikitu" (sorghum) en groente te verbouwen, enkele geiten, varkens en kippen te houden, brandhout te kappen voor eigen gebruik, water te betrekken uit de putten van de plantage en stro en hout te gebruiken voor het bouwen van zijn hut.

Hij was echter verplicht tot het verrichten van arbeid voor de plantagehouder, die op zijn beurt hiervoor van hem afhankelijk was. Zij moesten als huur voor de grond gedurende een aantal dagen per jaar "herendiensten" verrichten, tegen een geringe vergoeding.

Deze vergoeding werd soms gedeeltelijk in natura uitbetaald.

De situatie van de vrijgemaakten in de stad was niet veel beter. Ook zij bleven in grote mate afhankelijk van hun vroegere meesters aan wie zij hun arbeid konden verhuren als huisbediende, koetsier, boodschappenjongen, sjouwer of matroos. Weer anderen probeerden als ambachtsman, bijvoorbeeld als timmer- man, metselaar, schoenlapper, blikslager of als bakker aan de kost te komen. Velen leefden van dag tot dag.

De vrouwen vonden meestal emplooi als naaister, wasvrouw en huispersoneel. Onder het huispersoneel nam de kinderverzorgster, de "Yaya", een aparte plaats in (Römer,1995). Zij groeiden dikwijls uit tot figuren waarmee in de huisgezinnen waar zij dienden rekening werd gehouden vanwege hun natuurlijk gezag en de loyaliteit ten opzichte van de kinderen, die aan hun zorg waren toevertrouwd.

Kansen op positieverbetering waren zeer gering. Niet alleen waren er in de gestagneerde economie maar weinig posities beschikbaar, maar ook blokkeerde de raciale factor de weg voor de gekleurde bevolking naar de spaarzame posities, die angstvallig bewaakt werden door de blanken.

In de hier geschetste situatie zou pas in de eerste decennia van de 20ste eeuw verandering komen.

In 1915 besloot de KonIDk1ijke Shell groep een raffinaderij op Curaçao te bouwen voor de verwerking van ruwe olie uit Venezuela. In 1916 werd met de bouw van de fabriek begonnen en reeds in 1918 kan de eerste geraffineerde olíe worden uitgevoerd. Daarmee werd een ontwikkeling op gang gebracht die tot fundamentele wijzigingen zou leiden in de Curaçaose samenleving.

In het volgende hoofdstuk zal daar verder op in worden gegaan.