You are here

III.3 Veranderingen In De Sociale Structuur

  • Sharebar

De gevolgen van de beschreven overgang van een agrarisch/ambachtelijke naar een industriële samenleving waren voor de oude protestantse elite, de plantagehouders en hoofdambtenaren, niet onverdeeld gunstig . De komst van de "olie" deed de doodsklok luiden voor hun toch al niet te florissante plantages ' en ontnam hen zodoende een belangrijk statussymbool. Vele fraaie landhuizen en lommerrijke hofjes zijn sedertdien tot ruïne en woestenij vervallen.

Voor de hogere ambtenaren was de industrialisatie in zoverre ongunstig dat de meer dan vroeger eisende taken in het overheidsapparaat tot het aantrekken van ambtenaren uit Nederland leidde, van wie werd verwacht dat zij beter in staat waren dan de lokaal opgeleide Curaçaose krachten om de ontwikkeling te leiden en te stuwen. De protestantse elite kreeg hiermee een groep uit Europa afkomstige ambtenaren boven zich en ging ernstige reserves koesteren tegen het koloniaal gezag, dat zij bevoorrechting van de vers uit Nederland overgekomen krachten, de " makambas" verweten.

Structureel raakten zij geleidelijk aan opgenomen in de zich uitdijende "middle class" in dienst van de overheid, de Shell en de nieuwe particuliere ondernemingen, als banken en verzekeringsmaatschappijen, en later advocaten- en accountantsbureaus.

Zij ontwikkelden hierdoor zekere ressentimenten tegen het koloniaal bestuur, een "anti makamba"-instelling die later, in de veertiger jaren, mede een impuls zou geven aan het streven naar meer autonomie voor de kolonie.

De Sefardische Joden, die zoals wij zagen, zich reeds in de 17de eeuw op de handel georiënteerd hadden, trokken profijt van de economische opleving en wisten zich zonder moeite op hetzelfde sociaal niveau te handhaven. De wetenschappelijke en culturele belangstelling die deze groep in de 19e eeuw had gekenmerkt, werd echter wel goeddeels door de handelsgeest verdrongen. In de 19e eeuw had deze bevolkingsgroep immers voor vooraanstaande dichters en schrijvers gezorgd, die nu deel uitmaken van de canon van de Curaçaose literatuur (Rutgers,1994).

Ik wil in dit verband verwijzen naar hoofdstuk 4, paragraaf 4.6.

Door de toegenomen welvaart en de verbetering van het onderwijs, waar al melding van gemaakt werd, kreeg men vooral een positieverbetering van de z.g. "lagere Protestanten" en van de beter gesitueerde kleurlingen, die zich reeds in de 19de eeuw door hun ontwikkelingsniveau, hun culturele oriëntatie en relatieve welstand onderscheidden van de niet-blanke volksmassa.

De kloof tussen de "hogere" en "lagere Protestanten" versmalde en huwelijken tussen leden van deze groepen namen toe.

Wat betreft de kleurlingen kan gesteld worden dat het aantal middelbare en hogere ambtenaren onder hen toenam, terwijl ook velen als employee bij de Shell en als administratief personeel bij particuliere bedrijven werk vonden. Anderen vonden emplooi in het onderwijs, zij het aanvankelijk slechts op het niveau van het lager onderwijs.

Sedert de jaren 60 is het aantal academici onder deze groep toegenomen, een ontwikkeling waartoe het in de jaren 50 door de overheid ingezette beurzenbeleid de stoot heeft gegeven.

Zij hebben de onderwijsmogelijkheden benut en door het bezit van bepaalde vaardigheden een kans gezien tot positieverbetering en sociale stijging.

De hier geschetste ontwikkeling heeft het ontstaan te zien gegeven van een inheemse "middle class" bestaande uit blanken en kleurlingen, die zich kenmerkt door een zekere mate van welstand en een levensstijl gericht op materieel comfort en een Amerikaans geïnspireerd consumptiepatroon. Het streven naar het bezit van een eigen huis, en de behoefte om de verworven welvaart daarmee te willen onderstrepen, hebben geleid tot de bouw van grote woonhuizen die gekenmerkt worden door disproportionele verhoudingen en architectonisch weinig bewondering afdwingen.

Op het ontstaan van een inheemse "middle class" is ongetwijfeld ook van invloed geweest het "ingroup" -sentiment dat de "oude Curaçaoënaar" ontwikkelde tegenover de "nieuwkomers". Tegen deze achtergrond moeten wij misschien ook het toegenomen gebruik van de term "landskind" (Yu di Tera) zien, ter aanduiding van allen die uit de oude kernbevoIking zijn voortgekomen. Tenslotte kan eveneens de verbreiding van het gebruik van het Papiamentu onder alle sociale klassen als een onderstreping van dit "ingroup" -gevoel worden gezien. Het Papiamentu werd de kern van het "wij"-gevoel van de groep die zichzelf was gaan beschouwen als" Yu di Korsow" (Römer,1974).

Aparte vermelding verdient de groep die ik al eerder heb aangeduid als "de niet-blanke volksmassa", de achterhoede van de slavenmaatschappij.

Zij hebben het minst kunnen profiteren van de economische ontwikkeling en de daarmee samenhangende sociale mobiliteitskansen.

De levensomstandigheden waarin zij al sedert generaties hebben moeten verkeren, gaven daar maar weinig mogelijkheden toe, terwijl aan de andere kant het liberale sociale en economische klimaat het niet nodig achtte daar ruimte voor te scheppen.

Slechts het reeds in de negentiende eeuw aangevangen onderwijs- en vormingswerk van de r.k. missie had hierin enige verlichting gebracht.

De conformistische en. paternalistische geest welke van deze bejegening uitging, droeg echter weinig bij tot hun sociale emancipatie. Bovendien stand het autoritaire, hiërarchische denken van de r.k. geestelijkheid slechts mobiliteit toe tot een bepaald niveau, wat o.a. in de jaren 40 tot conflicten met de opgekomen gekleurde "middle class" zou leiden. Overigens geen vreemd verschijnsel; ook in Nederland werd in katholieke en christelijke kringen herhaaldelijk ge- wezen op de door God gewilde sociale arde, wat kort en bondig werd samengevat onder het adagium: God heeft de standen gewild.

Van grote betekenis is wel geweest het werk van de zusters van Roosendaal en later die van Schijndel en de fraters van Tilburg. De scholen van deze religieuzen stonden in hoog aanzien en degenen die erin slaagden het mulo-diploma te balen wisten zich daarmee van een positie verzekerd op de groeiende arbeids-markt. Dat waren vooral kinderen uit de "middle" en "lower-middle class".

De toegenomen economische mogelijkheden vinden wij echter slechts in zeer geringe mate weerspiegeld in een verbetering van de levenscondities van de bevolkingsgroep die ik hierboven heb aangeduid met de achterhoede van de slavenmaatschappij.

Dikwijls was er zelfs sprake van het tegendeel: de trek naar de stad van de lokale bevolking uit de "kunuku" en de immigratie van arbeiders van andere eilanden, als bijvoorbeeld Bonaire en de Bovenwindse Eilanden, leidde tot het ontstaan van de reeds genoemde zelfbouw in de stadsperiferie.

De door het verbeterde onderwijs geboden kansen gingen goeddeels aan hen voorbij. Het onderwijs was te veel op Europese leest geschoeid waardoor zij daar niet van konden profiteren. De Caribisch creoolse gezinscultuur van de "lower class" week te veel af van de schoolcultuur waardoor dikwijls de aan- sluiting werd gemist. Slechts een klein percentage heeft deze barrière kunnen nemen.

Het waren vooral de meer Europees gerichte "upper" - en "middle-class" die van de economische vooruitgang gebruik hebben kunnen maken.

Maar ook de raciale factor heeft, zeker in het begin, een rol gespeeld bij deze geringe mobiliteit. De somatische afstand tot de elite maakte dat zij minder gauw in aanmerking kwamen voor de "sponsored mobility" in deze kleine, nog altijd erg feodale samenleving.

Voor de samenleving als geheel gold dat de toegenomen koopkracht vooral een uitweg vond in de aanschaf van consumptiegoederen, waar de markt mee overspoeld werd en die door middel van moderne reclametechnieken op agressieve wijze werden gepresenteerd als een teken van vooruitgang.

Kan men wat dit betreft zonder meer spreken van een "conspicious consumption", dit demonstratief willen tallen van de verworven welvaart vinden wij ook terug in de kapitale huizen die door de "nieuwe middle-class" in de buitenwijken van Willemstad werden (en nog steeds worden) gebouwd, een verschijnsel waar en passant al op werd gewezen.

Aan het einde van de jaren dertig begon het "bon ton" te worden om in deze nieuwe wijken buiten Willemstad (Van Engelen, Mahaai, Matancia, later Kas Grandi en Jan Sofat etc.) een woning, veelal naar Amerikaans model, te laten bouwen, liefst op een stuk eigendomsgrond. Hoewel ook een vlucht uit het bedompte hete klimaat van de stad hieraan ten grondslag zal hebben gelegen, verraadt de grootte van de huizen dat ook andere motieven meespelen.

De hier beschreven ruimtelijke verschuivingen, waarbij gebieden die vroeger buiten de stad lagen, steeds meer opgenomen raakten in het stedelijke agglomeraat, hebben ertoe geleid dat tweederde deel van de bevolking van Curaçao thans in Willemstad en omstreken woont. Het middengedeelte van het eiland is een groot stedelijk gebied geworden (Volkstelling,1992). Slechts op Banda 'bou en Banda 'riba zijn er nog landelijke woonkernen, die tegenwoordig allemaal beschikken over waterleiding, electriciteit, telefoon, televisie en andere moderne gemakken. Zij zijn daardoor in grote mate verstedelijkt.