You are here

III.4 Veranderingen In De Politieke Structuur

  • Sharebar

Men kan zich terecht afvragen of de geschetste veranderingen op economisch en sociaal gebied niet eveneens ook hun invloed hebben gehad op het staatkundige en politieke leven van de Nederlandse Antillen in het algemeen en dat van Curaçao in het bijzonder.

In 1900 leefde men nog onder het regime van de Staatsregeling van 1865. Structureel waren er drie organen te onderscheiden in het staatsrechtelijk bestel: de Gouverneur, de Raad van Bestuur en de Koloniale Raad, die geheel uit benoemde leden bestond. Tot de wijziging van 1901 hadden de Gouverneur en de overige leden van de Raad van Bestuur ook deel uitgemaakt van de Koloniale Raad. Was dit niet in strijd met het principe van de scheiding der machten? Gezien de wijze waarop de Koloniale Raad tot stand kwam, kan dit orgaan echter moeilijk als een "volksvertegenwoordiging" of wetgevend orgaan beschouwd worden. De Raad was niet meer dan een overlegorgaan voor de Gouverneur.

In 1936, in de nadagen van de crisis, ging het Koloniale Bestuur in Nederland ertoe over aan de Kolonie Curaçao en Onderhorigheden een beperkt kiesrecht toe te kennen voor het kiezen van, wat ik zou willen noemen een "pseudo-volksvertegenwoordiging". Deze Staten van Curaçao bestond uit 15 leden, waarvan slechts 10 leden konden worden gekozen door een zeer beperkt kiesrecht. De overige 5 leden werden door de Gouverneur benoemd.

Bij de eerste verkiezingen in december 1937 konden tengevolge van het beperkte census- en capaciteitenkiesrecht, slechts 2030 kiesgerechtigden hun stem uitbrengen, wat neerkomt op 3,5% van de bevolking. Gaat men uit van het aantal geldig uitgebrachte stemmen (1549) dan komt men uit op 2,7 % van de bevolking (De Gaay Fortman, 1947 ).

Aan deze verkiezingen namen twee partijen deel; de Katholieke Partij en de Curaçaose Politieke Unie, die vooral aanhang had onder niet-katholieken: (Curaçaose) protestanten en Joden en Shell-employees. De partijen kregen ieder 3 zetels. De gouverneur benoemde nog 2 rooms katholieke en 3 niet-katholieke leden, allen woonachtig op Curaçao, wat met de leden die op de Bovenwinden (1), Bonaire (1) en de Aruba (2) waren gekozen het aantal van 15 leden van dit nieuwe college completeerde.

De Koloniale Raad vond in feite een (gedeeltelijke) voortzetting in de 5 benoemde leden.

Drie factoren zijn van grote invloed geweest op de veranderingen die zich zouden voordoen in de staatkundige en tengevolge daarvan in de politieke structuur. In de eerste plaats moet genoemd worden de financiële zelfstandigheid die de Kolonie Curaçao, dankzij de groei van de economie, al snel na de crisis van de jaren 30 wederom had bereikt.

Vervolgens zijn de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder de rede van 6 december 1946 van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina van grote invloed geweest.

Deze rede die vooral voor het toenmalige Nederlands Indië bedoeld was, wordt ook wel aangeduid als de "7 december rede", omdat op het moment dat zij werd uitgesproken (20:45 Londense tijd) het in Nederlands Indië al 7 december was. In deze rede kondigde de Koningin aan dat na de oorlog veranderingen in de structuur van het Koninkrijk en in de verhoudingen tussen Nederland en de kolonies zouden komen. Fasseur tekent hierbij aan dat het niet uitgesloten is dat deze rede primair bedoeld is geweest om anti-koloniale stromingen in de internationale politiek te appaiseren. Het is geenszins de bedoeling van het Kabinet in Londen geweest om Indië onafhankelijkheid te verlenen (Fasseur,1995).

Tenslotte wil ik, als drijvende kracht, noemen de groeiende onvrede van de "Yu di Tera" met de tweederangs positie waarmee hij ten opzichte van de nieuwkomers uit het moederland genoegen moest nemen.

Er ontstond een "autonomiebeweging" die voor het eerst in de geschiedenis van Curaçao erin zou slagen de volksmassa te mobiliseren. Deze beweging was in eerste instantie uitgegaan van de "middIe-class", zowel bIanken als kleurlingen. Zij vormden immers de groep die zich het meest gefrustreerd voelde. Zowel de leiders van de Democratische Partij, die in 1944 was opgericht, als die van de Nationale Volkspartij, die in 1948 tot stand kwam, waren uit deze lagen van de bevolking afkomstig. Zij slaagden er in het volk politiek bewust te maken en wisten zich van een enorme achterban te verzekeren.

De onderhandelingen met Nederland, die reeds in 1946 een aanvang namen, leidden in eerste instantie tot de Staatsregeling van 1948, die algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht invoerde en een volledig gekozen Staten. Pas na de afronding van de onafhankelijkheid van Indonesië konden echt zaken worden gedaan met "de West".

Uiteindelijk mondden de verschillende Ronde- Tafel-Conferenties uit in het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden, dat in 1954 door Koningin Juliana werd bekrachtigd. Het Koninkrijk der Nederlanden kwam hiermee uit drie autonome delen te bestaan: Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Met het Statuut werd de belofte, die Koningin Wilhelmina in december 1942 in haar historische radiorede had gedaan, definitief ingelost.

De "autonomiebeweging" had ook het ontstaan en de groei van het partijwezen bevorderd.

Had aan de verkiezingen van 1937 behalve de Katholieke Partij ook de Curaçaose Politieke Unie deelgenomen, in 1941 was het slechts de Katholieke Partij die kandidaten stelde. De Curaçaose Politieke Unie was in de zittingsperiode 1937- 1941 opgehouden te bestaan (Kasteel, 1956).

In 1949 zien wij echter 4 partijen in de verkiezingsstrijd: de Nationale Volkspartij (N.V.P.), de Democratische Partij (D.P.), de Katholieke Partij (K.P.) en een nieuwe partij, de Curaçaose Onafhanklijke Partij (C.O.P.). Evenals aan de D.P. en de N.V.P. Iag ook aan deze partij geen specifieke ideologie ten grondslag.

Men kan stellen dat in 1948 feitelijk de basis werd gelegd voor ons huidig politiek bestel: een meerpartijenstelsel, waarbij door middel van vrije verkiezingen, op basis van algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht alle leden van de volksvertegenwoordiging door de kiesgerechtigde ingezetenen worden aangewezen.

Alvorens verder in te gaan op de ontwikkeling van het partijwezen lijkt het mij wenselijk het beeld van de staatsrechtelijke structuur aan te scherpen. In de eerste plaats moet hier genoemd worden het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden dat in 1954 tot stand kwam. In dit document werd de basis voor nieuwe verhoudingen tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen gelegd. Suriname en de Nederlandse Antillen kregen hiermee als landen van het Koninkrijk de autonomie over alle interne aangelegenheden. Een belangrijke stap in de richting van meer lokale autonomie was in 1951, nog voor het Statuut dus, genomen door de invoering van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (de ERNA), waarbij aan de eilanden, die toen de Nederlandse Antillen vormden, autonomie werd toegekend wat betreft alle verzorgingsgebieden, met uitzondering van een aantallimitatief aangegeven aangelegenheden, die in artikel2 van de ERNA worden genoemd.

De Nederlandse Antillen kwamen hiermee te bestaan uit zes eilandgebieden. Strubbelingen met Aruba over de positie van dit eiland binnen de Antilliaanse constellatie, in het bijzonder ten opzichte van de Landsregering, leidden uiteindelijk tot de z.g. "status aparte" voor Aruba: het eiland kreeg met ingang van 1januari 1986 de status van apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Terzijde wil ik opmerken dat de Arubaanse politici in hun streven om zich arte scheiden van de Nederlandse Antillen ten onrechte bij Curaçao, de zetel van de Landsregering, hun gram meenden te moeten balen.

Met de "status aparte" van Aruba ging het Koninkrijk weer uit drie landen bestaan, na sedert de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, uit twee landen bestaan te hebben.

De Nederlandse Antillen omvatten vanaf die datum vijf eilandengebieden, een constellatie waarvan de bevolkingen op de verschillende eilanden in afzonderlijke referenda, gehouden in 1993 en 1994, te kennen hebben gegeven dat zij die gecontinueerd en bestendigd willen zien.

Het kiesrecht stimuleerde de vorming van politieke partijen, stelde ik hierboven. Vooral na 1948, na de instelling dus van het algemeen mannen- en vrouwen- kiesrecht, nam de ontwikkeling van het partijwezen een hoge vlucht.

De eerste partijen, zagen we, waren de Katholieke Partij en de Curaçaose Politieke Unie die aan de verkiezingen van 1937 deelnamen. De Katholieke Partij werd feitelijk geleid door de r.k. geestelijkheid, die het kerkelijk regime dat in Nederland wortel had geschoten, ook naar de Kolonie Curaçao overgeplant wilde zien.

In 1944 volgde de Democratische Partij, opgericht op initiatief van niet- katholieke voormannen, zonder een specifieke godsdienstige binding. Wel kan de partij bogen op krachtige steun van de vrijmetselarij.

Ontevredenheid onder enkele katholieke intellectuelen over de gang van zaken in de Katholieke Partij, in het bijzonder over de dominerende rol van de R.K. geestelijkheid, leidde in 1948 tot de oprichting van de Nationale Volkspartij.

De oprichting van de N.V.P. leidde tot een dermate grote aderlating voor de Katholieke Partij dat in 1949 werd overgegaan tot de oprichting van een nieuwe partij, de Katholieke Volkspartij. Tenslotte werd in 1949 met de verkiezingen in zicht de Curaçaose Onafhanklijke Partij opgericht.

Terzijde wil ik opmerken dat wanneer wij het voor Curaçao geschetste partij- wezen nader bezien, er enkele opvallende gelijkenissen zijn met andere landen in het Caribisch gebied wat betreft het gebruik van bepaalde adjectieven in de naamgeving van de partijen. Veelvuldig stoot men op adjectieven als "volks" en "nationaal".

Op Jamaica treft men de "People's National Party" aan, die reeds aan het einde van de jaren dertig vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd opgericht door Norman Manley; in Guyana komt omstreeks 1950 de "People's Progressive Party" op onder leiding van Dr. Cheddi Jagan en later, in 1955, de "People's National Congress" van Foster Burnham. In Trinidad wordt in 1956 de "National People's Movement" door Dr. Eric Williams opgericht.

Wilde men met deze namen een beroep doen op nationalistische gevoelens bij de locale bevolking , die in al deze kolonies nog een tweederangs positie innam? Gegeven het feit dat al deze partijen waren opgericht door een ontwikkelde blanke en gekleurde "middle class", die meer nog dan "het volk" de frustratie van de status van tweederangsburger aan den lijve ondervond, is dat niet uitgesloten. Gezien de massale participatie aan het politieke leven die op de oprichting van deze partijen volgde, moet men echter ook concluderen dat deze ontwikkelde voortrekkers niet alleen hun "middle-class"-nationalistische aspiraties wisten uit te dragen maar er ook in slaagden te appelleren aan andere, meer concrete behoeftes die bij het gewone volk aanwezig waren. De politiek in het Caribisch gebied is blijkbaar al vanaf het eerste begin pragmatisch en populistisch van aard geweest.

Van de partijen, die hebben deelgenomen aan de verkiezingen van 1948, het jaar dat gezien kan worden als het beginpunt van de democratie in de Nederlandse Antillen, spelen slechts de Nationale Volkspartij en de Democratische Partij nog een rol in het politieke leven op Curaçao.

De Katholieke Partij, die na het debacle van 1948 werd omgedoopt tot de Katholieke Volks Partij moest in 1959, na een regeringscoalitie te zijn aangegaan met de Democratische Partij, in opdracht van de toenmalige Bisschop het predikaat "Katholiek" laten vallen. De bisschop heeft zich hierbij naar verluidt laten leiden door de gedachte dat de Democratische Partij al te nauwe banden onderhield met de vrijmetselarij. Het bestuur van de Katholieke Volks Partij meende toen een slimme zet te doen door de naam te veranderen in de Konstructieve Volks Partij. Bij de verkiezingen van 1962 behaalde de partij echter geen zetel en verdween voorgoed van het toneel. Men had duidelijk het onderscheidingsvermogen van het kiezersvolk onderschat; of zou hier toch het gezag van de Bisschop de doorslag hebben gegeven?

Wat betreft de Democratische Partij moet nog vermeld worden, dat zich in het begin van de jaren'90 een splitsing in de partij heeft voorgedaan (na de verkiezingen van 1990 die de partij slechts één lid in de Staten opleverde). De lijstaanvoerder trad af en vormde later met een groep getrouwen in 1992 de Partido Demokrátiko Outéntiko.

Er zijn in de loop der jaren nog verschillende andere partijen ontstaan, deels afsplitsingen van de oude partijen, maar ook nieuwe partijen, die echter merendeels na enige tijd weer van het politieke toneel verdwenen.

Van de nieuwe partijen die in de jaren 60 en 70 ontstonden, moet in de eerste plaats de Frente Obrero i Liberashon 30 di mei genoemd worden. Zoals de naam al zegt, is deze partij ontstaan uit de beweging die na de onlusten van 30 mei 1969 gestalte kreeg en zich later organiseerde tot een politieke partij. De partij nam voor het eerst deel aan de verkiezingen van 5 september 1969, met als lijsttrekker Wilson (Papa) Godett, die in de beweging rondom "30 Mei 1969" een vooraanstaande rol had gespeeld. De partij heeft sedertdien met wisselend succes aan het politieke leven deelgenomen.

Vervolgens moet de M.A.N. (Movimento Antiya Nobo) genoemd worden. De oprichter van deze partij, ir. D. F. Martina, had eerst deel uitgemaakt van de Frente Obrero, maar richtte in 1971, teleurgesteld over het functioneren van de Frente, zijn eigen partij op. Na een weinig succesvolle start, zien we hem in 1975 terug bij de Frente Obrero, om in 1979 weer de M.A.N. op te richten. De M.A.N. neemt sedertdien een belangrijke plaats in in de politieke constellatie van Curaçao.

Nieuwe partijen die aan het einde van de jaren 80 opkwamen waren de Partido Sosial Independiente (SI), opgericht door de N.V.P.-dissident, G. Hüeck, en Nos Patria, de partij van de ex-presentator van het populaire tv-programma "Nos Patria", O. (Chin) Behilia.

Grote veranderingen in de constellatie van het partijwezen op Curaçao deden zich voor na het referendum van 19 november 1993. In dit referendum koos bijna 74% van degenen die hun stem hadden uitgebracht voor het behoud van de Antillen van Vijf eilanden. Deze opmerking verdient nadere toelichting.

Het referendum was een uitvloeisel van een bepaalde wending die het denken over de structuur van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder op Curaçao en als gevolg daarvan ook op de andere eilanden, had aangenomen. Het streven naar een aparte status voor Curaçao naar het voorbeeld van Aruba, een gedachte die eerst alleen door de N.V.P. werd geventileerd, werd in het begin van de jaren 90 ook door de andere partijen overgenomen en als algemene doelstelling van alle Curaçaose partijen gepropageerd.

Dat voor bevestiging van deze zienswijze een referendum op zijn plaats zou zijn, werd door de politieke partijen van Curaçao slechts schoorvoetend toegegeven. Groot was dan ook de verrassing van de politici dat het kiezersvolk er heel anders over bleek te denken en met een grote meerderheid (bijna 74 % van de geldig uitgebrachte stemmen) koos voor het behoud van de oude structuur. In de periode vóór het referendum werden van verschillende zijden, maar vooral van de zijde van de politieke partijen, de voordelen van een aparte status voor Curaçao breed uitgemeten. Er vormde zich echter ook een groep bestaande uit verschillende personen en organisaties, o.a. de vakbonden verenigd in de "Sentral di Sindikatonan di Kòrsou" en de "Petroleum Workers Federation Curaçao" en tenslotte de politieke partij Demokrátiko Outéntiko, die de gedachte van een "Antillen van de Vijf' krachtig propageerden. Zij groepeerden zich in de Stichting Pro Antiya Restrukturá. Als leider van deze beweging werd Mr. Miguel Pourier, ex-minister-president van het interim kabinet van 1979 en ex- bankdirecteur gekozen. Pourier had zich doen kennen als een integere, vertrouwenwekkende figuur.

Na het referendum, met de verkiezingen van 1994 in zicht, werd deze beweging omgezet in de politieke partij Partido Antiya Restrukturá. In deze verkiezingen verkreeg de P.A.R. een overweldigend aantal stemmen (47.08%)

Referenda gehouden op de andere eilanden wezen uit dat ook daar de voorkeur werd gegeven aan het behoud van een "Antillen van de Vijf'.

Concrete uitvoering van deze gedachte werd een belangrijke, zo niet de belangrijkste opdracht van de regering die na de verkiezingen van 5 februari 1994 aantrad.

Deze regeringvond haar basis in de coalitie van de Curaçaose partijen P.A.R. (8) en M.A.N. (2) en steunde verder op de Democratische Partij van Bonaire (2) en de St. Maarten's Patriotic Alliance (2) en de Democratische Partij van St. Eustatius (1). Gedurende de regeerperiode 1994-1998 waren de vorderingen wat betreft de herstructurering van de Nederlandse Antillen niet spectaculair.

De coalitie kreeg overigens te kampen met spanningen die zich binnen de P.A.R. voordeden met de "vakbondspoot" in de partij, de "Sentral di Sindikatonan di Kòrsou" en de "Petroleum Workers Federation". Het gevolg was dat de beide laatste groeperingen zich van de partij distantieerden. De door de verenigde bonden aangedragen kandidaat op de verkiezingslijst, die met voorkeurstemmen tot lid van de Staten was gekozen, stelde zich na de splitsing als "onafhankelijk" op. Het aantal zetels van de P.A.R. werd hiermee teruggebracht tot 7.

Op 1 mei 1997 volgde het logische vervolg op deze ontwikkelingen met de oprichting van de arbeiderspartij Partido Laboral Krusada Popular (P.L.K.P.).

De regering Pourier werd tenslotte in de loop van 1996 geconfronteerd met ernstige monetaire en economische problemen, waaronder de toegenomen werkloosheid in de leeftijdsklasse van 18 tot 25 jaar. In samenwerking met het Internationale Monetaire Fonds werd overgegaan tot de implementatie van een Sociaal Aanpassings Programma (SAP) dat, zoals ook elders in de wereld waar een dergelijk saneringsprogramma is toegepast, vooral bij de minder draagkrachtigen erg hard aankwam.

Met de verkiezingen voor de Staten van de Nederlandse Antillen in zicht werd het duidelijk dat de P.A.R., die al bij de Eilandsraadverkiezingen in 1995 in stemmen achteruit was gegaan, deze keer fors zou moeten inleveren.

In 1994 was 47.08% van de geldig uitgebrachte stemmen (33.996) naar de P.A.R. gegaan, in 1995 bij de Eilandsraadverkiezingen daalde dit percentage naar 33,92% (24.080). Bij de verkiezingen voor de Staten van de Nederlandse Antillen op 30januari 1998 werden slechts 18.775 stemmen op de P.A.R. uitgebracht, goed voor 24,28%. Ondanks dit forse stemmenverlies bleef de P.A.R. de grootste partij en kreeg zij 4 vertegenwoordigers in de Staten, de helft van het aantal waarmee de regeerperiode 1994-1998 werd ingezet.

Als tweede grote partij kwam de Nationale Volkspartij (N.V.P) uit de bus met 3 zetels. Zij behaalde 14866 stemmen (19,22%) wat een feitelijk verlies van 1165 (7,2%)stemmen inhield ten opzichte van 1994, toen de partij 16.031 stemmen had behaald.

Een grote verrassing was het succes van de Krusada Popular, zoals de arbeiderspartij zich is gaan noemen. De arbeiderspartij kreeg 13.801 stemmen, goed voor 3 zetels in de Staten.

De grote verliezer was de Democratische Partij van Curaçaose die voor het eerst sedert 1945 geen zetel heeft in de landelijke volksvertegenwoordiging.

Ook de M.A.N. ging, met slechts 8560 stemmen, fors achteruit, een terugval van 2552 stemmen (23%) vergeleken bij 1994. Ongetwijfeld hebben hier de problemen waar de partij mee geconfronteerd werd in verband met een strafzaak tegen één van haar prominente (ex-)leden een grote rol gespeeld. De Frente Obrero i Liberashon 30 di Mei boekte een zeer aanzienlijke winst en veroverde met 10.356 stemmen (13,39%) 2 zetels in de Staten. De partij had in de periode 1994-1998 met 4205 stemmen bij de verkiezingen in 1994 geen enkele vertegenwoordiger in de Staten. Vergeleken bij 1994 boekte de partij een vooruitgang van 14,7%.

Men kan zich afvragen of de oude traditionele partijen, de Democratische Partij, de Nationale Volkspartij en de Movimento Antya Nobo, niet aan een herziening van de door hen gehanteerde politieke retoriek toe zijn. Hebben zij voldoende contact met de achterban? Men krijgt de indruk dat er iets stokt aan de doorstroming van ideeën binnen deze partijen.

De regering die na de verkiezingen van 1998 werd gevormd was geen lang leven beschoren. De coalitie, bestaande uit N.V.P. (3), P.L.K.P. (3), F.O.L. (2) met D.P. Bonaire (2), D.P. St. Maarten (2) en W.I.M.P. van Baba (1), had misschien wel een brede basis, maar kampte vanaf het begin met interne spanningen.

Premier Mr. S. Camelia-Römer had grote moeite een sociaal-economisch herstelprogramma opgesteld door de zo genoemde "Drie wijze mannen" (Dr. E. Tromp, ir. G. Wawoe en I. de Windt RA.) door de coalitiepartner P.L.K.P. aanvaard te krijgen.

Op 4 oktober 1999 diende zij bij de Gouverneur van de Nederlandse Antillen het ontslag van haar regering in.

Mr. M. Pourier, die toen de opdracht kreeg een nieuwe regering te vormen, slaagde daar binnen redelijke tijd in. Reeds op 8 november 1999 kan het 3de Kabinet Pourier worden beëdigd. Het werd een coalitie met de zeer brede steun van 18 van de 22 statenleden: PAR (4), N.V.P. (3), F.O.L. (2), MAN (2), DP. Bonaire (2), UPB (Bonaire) (1), DP St. Maarten (2), WIPM (Saba) (1) en st. Eustatius Alliance (1). Als uitgangspunt van zijn beleid op financieel/economisch gebied nam dit Kabinet een programma aan dat in feite een modificatie inhoudt van het herstel- programma van de "Drie wijze mannen".

Het grote struikelblok bij de uitvoering van dit programma, waarvoor Nederlandse steun nodig is, blijkt de voorwaarde te zijn die de I.M.F. stelt ten aanzien van het deficit op de gezamelijke begroting van de Centrale Regering en van het Eilandgebied Curaçao. Nederland stelt zich wat betreft de verlening van extra ontwikkelingshulp volledig achter de door de I.M.F. gestelde voorwaarde. Na enige bezuinigingsronden is er naar het schijnt licht aan het einde van de tunnel.

Inmiddels hadden de verkiezingen voor de Eilandsraad van Curaçao die op 7 mei 1999 werden gehouden slechts voor geringe verschuivingen in de krachtverhoudingen tussen de partijen gezorgd. de partijen die het sterkst uit de bus kwamen waren PAR (5), NVP (5), PLKP (4), FOL (4), MAN (2) en de nieuwkomer ORDU(1).

Dit had als voordeel dat na de val van het Kabinet Camelia-Römer partijen makkelijk tot de vorming van twee congruente coalities op Centraal en op Eilandelijk niveau konden komen. De ervaringen van het Kabinet Camelia- Römer hadden wat dat betreft wel voor duidelijkheid gezorgd. Het Bestuurscollege, dat na de verkiezingen aantrad, bestaat wat de Curaçaose partijen betreft, uit dezelfde partijen als die van het 3de Kabinet Pourier.

Verwacht wordt dat deze congruentie de uitvoering van het herstelprogramma gunstig zal beïnvloeden. Het ziet er echter naar uit dat er zich toch nog wat strubbelingen zullen voordoen wat betreft de interpretatie van het regeerprogramma.

Door de druk op de minderdraagkrachtigen en op de economie in het algemeen die de uitvoering van een versoberingsprogramma naar de richtlijnen van de I.M.F. voor iedere samenleving tot gevolg schijnt te hebben, heeft de migratie naar Nederland echter onrustbarende vormen aangenomen. In 1998 emigreerden 5073 Antillianen, in 1999 was er sprake van een toename van 28% tot 6515.

Het aantal Antillianen dat thans in Nederland verblijft, wordt geschat op 100.000.