You are here

IV.5 De Afrikanisering

  • Sharebar

Alhoewel de neger in een toestand van volledige sociale en culturele ontreddering in zijn nieuwe "vaderland" aankwam, is zijn invloed in cultureel opzicht bijzonder groot geweest. Door de onmenselijke omstandigheden waarin hij tot "emigratie" naar het Caribisch gebied werd gedwongen, was hij niet in staat geweest zijn eigen cultuur als een geïntegreerd collectiefbezit van de groep in de nieuwe wereld te introduceren. Hij moest zich beperken tot herinterpretaties van zijn oorspronkelijk Afrikaans cultureel erfgoed.

Een extra handicap was dat slaven van verschillende etnische oorsprong bij elkaar gebracht werden in de depots op de kust van West-Afrika en vandaar later op de slavenschepen. Zij hadden verschillen in gewoonten en spraken verschillende talen. Zij waren daarom gedwongen tot een proces van "geven en nemen" van cultuurelementen, waar ik eerder op wees, om zich met elkaar te verstaan. Dit zou blijken een voorspel te zijn voor wat zich later in het Caribische gebied op grotere schaal zou afspelen.

Hun culturen hadden echter ook veel gemeenschappelijke trekken wat het con- tact en de uitwisseling van elementen vergemakkelijkte. De meesten spraken een van de Bantu-talen, hun familie verwantschap systemen waren overwegend matrilineair, het voortplantingspatroon was polygynisch.

Ook hun godsdiensten vertoonden veel structurele overeenkomsten: men geloofde in een Oppergod, de Schepper van al het zichtbare en onzichtbare, van de materiële en de immateriële wereld. Deze immateriële wereld, de bovennatuur, bestond uit de lagere goden en de geesten van de overleden voorouders. Tussen de bovennatuurlijke en de natuurlijke wereld bestond een innige band. Verstoring van het evenwicht dat tussen deze twee werelden moest bestaan kon tot ziekte en ongeluk leiden. Herstel van dit evenwicht was mogelijk door ingewikkelde rituele handelingen met een magisch karakter.

Deze elementen vinden wij terug in de verschillende Afro-Amerikaanse godsdiensten die in de nieuwe wereld worden aangetroffen: de Voudou in Haïti, de Shango in Trinidad, de Winti in Suriname, de Santeria in Cuba om maar enige te noemen. In paragraaf 4.8 zal ik hier verder op ingaan.

Het acculturatieproces begon dus al tijdens de "middle passage", de term waarmee de overtocht van West-Afrika naar het Caribisch gebied doorgaans wordt aangeduid.

Voor een beter begrip van het proces van afrikanisering lijkt het mij nuttig dieper in te gaan op de omstandigheden waaronder het cultureel contact tussen de blanke en de neger totstandkwam, n.l. de slavernij.

In hoofdstuk 2 heb ik gesteld dat de slavernij op Curaçao een eigen karakter had dat afweek van wat elders in het Caribisch gebied het geval was. Men heeft hier geen uitgebreide plantages gekend waar grote groepen slaven voor een maximale productie van agrarische producten moesten zorgen bestemd voor een wereldmarkt.

Het slavenbezit was in vele gevallen beperkt tot enkele tientallen, meestal zelfs minder. Slechts enkele slaveneigenaars, waarschijnlijk van de grotere plantages op het westelijk gedeelte van het eiland, hadden 100 of meer slaven. In 1735 betrof het slechts één (1), in 1764 waren het er vijf (5). In die jaren had 73%, respectievelijk 66% van de slaveneigenaars minder dan vijf (5) slaven. Kenmerkend voor de slavernij op Curaçao was, zoals eerder vermeld, de kleinschaligheid. Dit had uiteraard gevolgen voor de relatie meester-slaaf, zoals eerder naar voren is gebracht.

Maar het relatief gering aantal slaven dat de blanken op Curaçao bezaten, had een hoge interactiefrequentie tussen deze twee groepen tot gevolg. Bij degenen die minder dan 5 slaven hadden - en zoals wij zagen was dat de overgrote meerderheid - behoorden de vrouwen voornamelijk tot het huispersoneel, de mannen waren bedienden, koetsiers, tuin- en ambachtslieden. In deze hoedanigheid hadden zij veelvuldig contact met de blanke meesters in een geheel andere sfeer dan op de grote plantages elders in het Caribisch gebied.

Deze omstandigheid liet ruimte open voor een intensief acculturatieproces.

Met betrekking tot dit acculturatieproces is het zeker op zijn plaats hier ook te wijzen op de sleutelpositie van de "Yaya", de neger-kinderverzorgster aan wier zorg de kinderen van de gegoede blanke ingezetenen werden toevertrouwd.

Tussen de "Yaya" en de kinderen die aan haar zorg werden toevertrouwd ontwikkelden zich intieme, affectieve relaties waarvan in de Antilliaanse literatuur, maar ook in de beeldende kunst, vele voorbeelden te vinden zijn (Römer,1995). De "Yaya" heeft hierdoor een grote rol gespeeld in de overdracht van de Afrikaanse cultuur van de neger aan de blanke kinderen en bijgevolg aan de blanke bevolkingsgroep.

Allerlei restanten van de oorspronkelijke cultuur van de neger, die wij in de huidige creoolse cultuur van onze eilanden tegenkomen, hebben voor een groot deel via de "Yaya" toegang gekregen tot de cultuur van de blanken.

Ik wil b.v. wijzen op het geloof in "zumbi's" (niet nader te definiëren esoterische wezens waar in ieder geval een zekere dreiging vanuit zou gaan), het geloof in allerlei rondwarende geesten de z.g. "spiritu's", de "alma malu", (zielen die geen rust hebben gevonden in het hiernamaals), de volksgeneeskunde met het gebruik van allerlei kruiden, de volksverhalen en uiteindelijk op de ontwikkeling en verbreiding van de taal het "Papiamentu" (Römer, 1995; Martinus,1974)

De volksverhalen, de bekende verhalen van de spin "Nanzi", waren afkomstig uit het land van de Ashanti in Ghana, waar de West-Indische Compagnie ver- schillende factorijen langs de kust heeft gehad, o.a. de reeds genoemde St. George d'Elmina. (Baart,1991). Op deze volksverhalen wordt nog teruggekomen in 4.6. Voor het acculturatieproces heeft ongetwijfeld ook het contact tussen de blanke kinderen en de kinderen van slaven, die dikwijls hun speelkameraadjes waren, een rol gespeeld.