You are here

IV.8 Ontwikkelingen In De 20ste Eeuw

  • Sharebar

Bij mijn beschouwingen over de "verhollandsing" en de "latinisering" heb ik mij beperkt tot de invloed die uitgegaan is van de oude "Hollands-protestantse" groepen en de Iberische Joden.

Het beeld zou echter niet compleet zijn als ik geen melding zou maken van de latijnse invloed welke omstreeks het einde van de 19de eeuw is uitgegaan van een groep Zuid-Amerikaanse en Curaçaose intellectuelen.

Aan het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw viel een sterke intellectuele en artistieke gerichtheid te bespeuren op de Spaanse cultuur, gevoed o.a. door ballingen uit de omringende Latijnse landen als Colombia, Venezuela en in mindere mate uit de Dominicaanse Republiek.

Vele particuliere scholen, waaronder het Colegio St. Tomás van de fraters van Tilburg en het pensionaat Habaai van de zusters van Roosendaal, hadden het Spaans als voertaal. Zij betrokken hun leerlingen uit de omringende republieken. Vanwege de frequente onrust en (semi)revoluties in eigen land werden de kinderen door bezorgde ouders op deze scholen op het rustige Curaçao geplaatst. Ook andere scholen zoals het bekende Colegio Concordia voor jongens van pater Barralt en het Colegio Colonial voor meisjes, gesticht door José María Henriquez hadden het Spaans als voertaal. Ook deze scholen betrokken hun leerlingen uit de omringende Spaanssprekende landen (De Pool, 1935).

De Nederlandstalige scholen van de overheid konden onvoldoende tegengas geven tegen de Spaanse invloed die van deze scholen uitging. Bovendien was het algehele culturele klimaat Spaans georiënteerd, deels door de geografische ligging van het eiland, maar vooral tengevolge van de op het eiland verblijvende Spaanssprekende intellectuelen onder de ballingen, op wiens aanwezigheid ik in het bovenstaande reeds heb gewezen.

Grote bekendheid genoot een groep dichters en schrijvers die zich van het Spaans en in mindere mate ook van het Papiamentu bediende. De centrale figuur van deze "Spaanse school" in de Curaçaose literatuur was de schrijver/uitgever Agustín Bethencourt, zelf afkomstig van de Canarische eilanden.

In periodieken als "Notas y Letras" en " El Poema" verschenen regelmatig poëzie en proza van Curaçaose schrijvers als Adolfo Wolfschoon, David Chumaceiro, Jozef Sickman Corsen, David E. Jesurun en Dario Salas.

Het is zonder meer duidelijk dat van deze beweging en de algehele gerichtheid op de Spaanse cultuur een grote Latiniserende invloed is uitgegaan op de hogere strata van de bevolking, inclusief de groep die doorgaans met de "Hollandse" hogere protestanten wordt aangeduid.

Na de overgang van een agrarisch-commerciële naar een industriële maatschappij tengevolge van de vestiging van de olieraffinaderij van de Shell volgde een tweede proces van "verhollandsing" gevolgd door een "veramerikanisering" na de Tweede Wereldoorlog.

Het Nederlands, dat altijd de officiële taal was geweest, ging toen ook buiten de beperkte kring van het gouvernement een rol spelen in de handel en het bedrijfsleven. De economische ontwikkeling die op gang was gekomen, had de belangstelling van het Nederlandse bedrijfsleven gewekt. Zo vestigde zich spoedig de Hollandse Bank Unie op het eiland terwijl ook Nederlandse aannemersbedrijven in de metaalindustrie en in de bouwsektor lokale vestigingen stichtten.

Het Nederlandstalig onderwijs werd uitgebreid en verbeterd in het besef dat Curaçao zonder goed Nederlandstalig onderwijs onmogelijk kan tegemoetkomen aan de vraag bij het gouvernement en in het bedrijfsleven. Uit het feit dat alleen aandacht werd besteed aan het mulo-onderwijs valt wel te constateren dat toen niet gedacht werd aan midden-Iaat staan hogere posities bij deze instellingen. Het zou tot 1941 duren voordat Curaçao met het Peter Stuyvesant College zijn eerste middelbare school kreeg. De omstandigheid dat kinderen van het Nederlandse hogere personeel bij de Shell en bij het gouvernement niet naar Nederland konden om hun opleiding te vervolgen heeft bij deze beslissing een doorslaggevende rol gespeeld.

Volledig geschoeid op Nederlandse leest als dit onderwijs was, heeft het in niet geringe mate tot de "verhollandsing" van de opgroeiende generatie geleid, vooral bij de "middle" en "upper class". De vreemde situatie deed zich voor dat kinderen op Curaçaose scholen onderwijs kregen van Nederlandse onderwijskrachten uit Nederlandse leerboeken op basis van een Nederlands onderwijsprogramma. Dit proces van "verhollandsing" deed echter ook een gevoel van vervreemding, van het kwijtraken van het eigene, ontstaan.

In zekere zin heeft zich op Curaçao in de 20ste eeuw hetzelfde proces afgespeeld dat Van Baal (Van Baal, 1967) beschrijft voor andere exkoloniale gebieden als b. v. Indonesië. Door de veranderingen die de moderne dynamische kolonisatie na de vestiging van de Shell teweeg had gebracht voelde de Curaçaonaar zich steeds meer overspoeld door vreemd cultuurgoed wat leidde tot een gevoel van vervreemding van de eigen cultuur, die hij zorgvuldig uit de elementen die hem waren aangereikt, had opgebouwd. Ofschoon in zijn geval niet gesproken kan worden van een traditionele cultuur in de zin zoals dat kan worden gezegd van bepaalde niet-Westerse volkeren in Afrika, Azië en Zuid Amerika, was hij wel drager van een eigen creoolse cultuur. Gedragspatronen die al generaties hadden gegolden werden geleidelijk aangetast en oude waarden gerelativeerd of zelfs geridiculiseerd. Werd het eigene aangetast, het nieuwe werd niet bewust geassimileerd, maar overgenomen omdat daar een normatieve werking van uitging als teken van vooruitgang.

De Nederlandse (her)kolonisatie van Curaçao in de 20ste eeuw moet gezien worden in termen van de (her )kolonisatie van een, deels uit afstammelingen van Europeanen bestaande, bevolking met een eigen cultuur die afweek van de Nederlandse. Dit proces vertoonde veel gelijkenis met hetgeen zich op Puerto Rico afspeelde, waar een 19de eeuwse Spaans-creoolse cultuur door de dynamiek van de Amerikaanse invloed dreigde overspoeld te worden.

Het behoeft geen betoog dat deze ontwikkeling een onbehaaglijk gevoel tot gevolg heeft gehad, vooral waar de nieuwkomers uit het moederland niet vrij te pleiten waren van een superieure houding ten opzichte van de Curaçaoënaar, zowel blank als niet-blank. Zo werd de uitspraak van het Nederlands die in de kolonie onder invloed van het Papiamentu was ontstaan belachelijk gemaakt. Ik wees er al op dat de nazaten van de van oorsprong Hollandse kolonisten in de confrontatie met de nieuwkomers uit het moederland zich bewust werden van hun cultureel anderszijn. Dit voedde de reeds genoemde ressentimenten en een anti- Nederlandse ( "anti-makamba" ) stemming. Pogingen om het Papiamentu via het onderwijs terug te dringen hadden averechtse gevolgen. Het gebruik van de eigen taal ging de eigen identiteit vis-à-vis de nieuwkomers onderstrepen. Elders heb ik het Papiamentu de kern van de Curaçaose identiteit genoemd, de "totem" van zijn "wij" als Curaçaoënaar(R6mer, 1974).

De door Stalpers indertijd ontwikkelde gedachten over vervreemding en identiteitsverlies bij een overvloedig aanbod van nieuw (in het geval van Curaçao ook vreemd) cultuurgoed lijkt mij hier van toepassing (Stalpers, 1968). Hij brengt de verschillende reacties die op zo'n situatie mogelijk zijn onder in drie hoofdtypen die hij aanduidt met desengagement, ongericht engagement en gericht engagement.

Hij laat met deze indeling drie typen corresponderen:

  • de vervreemde mens, gekenmerkt door identiteitverlies;
  • de consumptieve mens, gekenmerkt door identiteitsverkruimeling en identiteitdiffusie;
  • de zelfbewuste mens met een specifieke identiteit.

Mocht het type a zich enige decennia geleden nog hebben voorgedaan, Curaçao geeft thans, aan het einde van de 20ste eeuw, vooral het type b te zien.

Door de dynamiek van de industrialisatie en de toegenomen communicatie werd de oude samenleving opengebroken. Het aanbod aan geestelijk en materieel cultuurgoed nam enorm toe en overspoelde het oude beeld.

Aangelokt door deze overvloed aan nieuwe mogelijkheden ontwikkelde zich de opgroeiende generatie tot het consumptieve type. Hij ontwikkelde zich tot de oppervlakkige cultuurlikker, zoals Stalpers dat noemt. Het kritiekloos "consumeren" van alles wat hem wordt aangeprezen, leidt tot een identiteitsverkruimeling. Dit roept het beeld op van "the mimic men" van Naipaul (Naipaul,1973).

Stalpers zelf trekt hier een lijn door naar het begrip "anomie", dat door Mac Iver werd omschreven als: "the state of mind of one who has been pulled up by his moral roots, who has no longer any standards but only disconnected urges, who has no longer any sense of continuity, of folk, of obligation" (Stalpers,1968). Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat dit proces, dat uiteindelijk tot een toenemende identiteitsdiffusie leidde, bij sommige intellectuelen de vraag naar de eigen identiteit deed opkomen.

Het expliciet stellen van deze vraag wijst op de aanwezigheid van het derde type in onze samenleving n.l. de mens met een zelfbewust engagement die kiezend zijn weg wil gaan.

Opvallend is daarbij dat dit streven naar zelfbevestiging zich uit in een afwijzende houding ten opzichte van de Nederlandse cultuur, maar in feite gericht is tegen een eurocentrische, zo men wil, westerse cultuuropvatting. Gepleit wordt voor een oriëntatie op de eigen regio, waarbij over het hoofd wordt gezien dat de regio bestaat uit ex-kolonies van de West-Europese landen die het gebied gekoloniseerd hebben. Ook zij, vooral de meer ontwikkelden, hebben in hun referentiekader veel eurocentrische elementen.

Naipaul, die ik boven aanhaalde, had het over de regio, in het bijzonder de Britse ex-kolonies.

De aanvankelijke neiging de aandacht te richten op (West)-Afrika treft men thans minder aan, m.i. terecht want de Curaçaoënaar is geen Afrikaan, zoals hij ook geen Europeaan is.

Voor de bepaling van de houding voor de toekomst is het goed te bedenken dat de westerse cultuur, in het bijzonder de westerse wetenschappelijke verworven-heden en technologie zich thans ook in het Verre Oosten, inclusief China, hebben verbreid. Deze globalisering van het westerse cultuurgoed zal ook op deze culturen van invloed zijn.

Dit impliceert geenszins dat de Curaçaoënaar straks geen eigen cultureel gezicht meer zal hebben, wel dat dit eigen gezicht veel trekken zal vertonen die men ook elders, in Europa, Zuid-Amerika of het Verre Oosten zal kunnen gewaar-worden. En tenslotte is het goed te bedenken dat Curaçao vrije toegang heeft tot het Internet met het gevolg dat het eiland thans, virtueel gezien, een dorp is gelegen aan de Elektronische Snelweg. De invloed die daarvan uit zal gaan laat zich slechts raden.

Cultuur is geen statisch monolithisch geheel, maar een dynamisch systeem dat zich in een voortschrijdend proces van aanpassing, een proces van geven en nemen ontwikkelt. Dit proces zal zich ook in de toekomst voortzetten.

De "global village" is geen "virtual reality" meer, maar een feit waar wij dagelijks mee geconfronteerd worden.