You are here

V.2 Het Gezin Naar Westers Ideaal

  • Sharebar

In de sociologische literatuur over het gezin werd tot voor kort uitgegaan van een ideaal beeld van het gezin in W est- Europa dat in feite was afgeleid van het burgerlijke stedelijke gezin, zoals dat in de 15de en de 16de eeuw gestalte heeft gekregen. Hierbij werd over het hoofd gezien dat in West-Europa altijd verschillende gezinstypen te onderscheiden zijn geweest (Mok & de Jager, 1983). Men denke b.v. aan het z.g. boerengezin, dat tot in de jaren 50 nog werd aangetroffen in sommige plattelandsgebieden.

Ik zal hier in een later stadium op terugkomen, maar wil hier wel reeds opmerken dat kennelijk, meer dan men zich tot enkele decennia terug rekenschap van heeft gegeven, de sociologiebeoefening onder invloed heeft gestaan van een burgerlijk wetenschapsperspectief. Een voorbeeld van deze, inmiddels in de sociologie verlaten visie, van het gezin treffen wij nog aan in de laatste editie (1990-1993) van de grote Winkler Prins-encyclopedie. Onder het trefwoord "gezin" vindt men vermeld: "een sociale groep bestaande uit een met elkaar gehuwde man en vrouw en ongehuwde kinderen" (Winkler Prins,1990).

In feite houdt deze omschrijving impliciet de ontkenning in van het feit dat ook op basis van een ongehuwd samenwonen van man en vrouw een gezin kan ontstaan. Dit burgerlijke, en in feite ook religieuze vooroordeel ten aanzien van andere gezinsvormen is kennelijk heel taai.

Reeds in de 17de-eeuwse gezinsportretten van de aristocratie en de gegoede burgerij, zoals o.a. Rembrandt die schilderde, vinden wij de picturale uitbeelding van dit burgerlijk ideaal . Dekker heeft daar in zijn oratie bij de aanvaarding van het hoogleraarschap aan de Universiteit van Groningen enkele heel interessante gedachten aan gewijd (Dekker, 1992). Deze schilderijen straalden, zo stelde hij, een moraal uit; zij hadden een voorbeeldfunctie.

De boodschap die uit deze portretten sprak was: "Zo moet u zijn opdat uw kinderen [...] zo worden."(Dekker, o.c.) Wat niet aan dit burgerlijk ideaal beeld voldeed, werd als sociaal pathologisch beschouwd en gemarginaliseerd. Dat waren later b.v. de 19de eeuwse probleemgezinnen, die uiteindelijk aanleiding hebben gegeven tot de Kinderwetten van 1901. In dergelijke gezinnen werden de kinderen met zedelijke en lichamelijke ondergang bedreigd. De overheid beschouwde het als haar plicht deze kinderen hiertegen te beschermen.

In de sociologie werd tot in de jaren vijftig nog naar deze gezinnen verwezen als "onmaatschappelijke gezinnen", in feite dus als gezinnen die buiten de (burgerlijke) maatschappelijke arde vielen. Weer later zou van "anders maatschappelijken" worden gesproken.

Twee ontwikkelingen in West-Europa en de Verenigde Staten hebben het boven geschetste ideaalbeeld danig aangetast: het hoge percentage huwelijken dat op een echtscheiding uitloopt en de toeneming van het ongehuwd samenwonen.

Man-vrouw relaties op basis van een burgerlijk (en kerkelijk) huwelijk bleken niet meer gekenmerkt te worden door continuïteit. Hoewel bij het aangaan van de verbintenis men bewust kiest voor duurzaamheid blijkt in toenemende mate dat de relaties worden afgebroken. Het aantal echtscheidingen is enorm toegenomen. Daarnaast blijkt dat het frequent voorkomt dat man en vrouw gaan samenwonen en een gezin stichten zonder een huwelijk naar burgerlijk recht te sluiten.

Ik zal hier verder niet over uitweiden maar er slechts concluderend op wijzen dat kennelijk aan de beoordeling van gezinsvormen, die afwijken van het ideaalbeeld tot voor kort heel duidelijk burgerlijke normen ten grondslag hebben gelegen.