You are here

V.3 Het Caribische Gezinstype

  • Sharebar

Indien de conclusie waarmee ik de vorige paragraaf afsloot reeds ten aanzien van de beoordeling van gezinsvormen in de westerse samenleving die van het ideaalbeeld afweken, heeft gegolden, des te meer zal dit het geval zijn geweest bij de beoordeling van de samenlevingsvormen van man en vrouw, die in het Caribisch gebied in de 17 de en 18de eeuwse slavenmaat-schappijen ontstonden. Het burgerlijk vooroordeel, meegenomen uit de 16e-eeuwse Europese samenlevingen, kreeg in het Caribisch gebied bovendien een raciale dimensie.

In 1818 meende de Raad van Policie van Curaçao in een schrijven aan de Gouverneur van de Kolonie, met betrekking tot het toestaan van het huwelijk onder de slaven, te moeten opmerken: ". [...... ] de onbeschaafheid en ruwe zeden der slaven leveren zoovele bezwaarnissen op tegen het bevorderen van het huwelijk onder hen, dat wij het als eene zeer moeijelijke en bijna onmogelijke zaak moeten beschouwen." De Raad wees er ook op dat" ....onbestendigheid en ontrouw de hoofdtrekken van hun wispelturig karakter zijn."

Tenslotte merkte de Raad op: "...hebben de slaven meest allen eenen afkeer van het huwelijk, daar de mannen liefst twee a drie vrouwen te gelijk hebben en de vrouwen zelden lang met denzelfden man blijven huishouden." (Dalhaus, 1924)

De relatie tussen man en vrouw bij de slaven beantwoordde dus helemaal niet aan het West- Europese ideaalbeeld. In feite vond men dat het huwelijk in deze situatie, die werd beschouwd als een promiscu procreatiepatroon, helemaal niet paste.

Geboortes op Curaçao naar geboorteplaats en burgerlijke staat moeder van 1990 tIm 1996
   Curaçao Aruba Bonaire Boven Nederland Suriname Dom. Elders Totaal Gehuwd Ongh. Gesch. Wed.
        Winden     Rep. Onbekend          
1990 2,496 44 41 12 106 22 114 179 3,014 1,371 1,537 97 9
1991 2,445 56 40 13 89 21 110 170 2,944 1,313 1,512 112 7
1992 2,340 56 43 8 88 17 105 193 2,854 1,177 1,568 100 8
1993 2,474 44 39 12 111 25 101 195 3,001 1,192 1,687 113 9
1994 2,430 50 38 7 101 19 115 209 2,969 1,140 1,679 122 8
1995 2,236 36 24 7 126 24 111 199 2,763 1,067   119 8
1996 2,293 34 35 11 109 29 102 242 2,856 1,196   99 4
Bron: C.B.S., Willemstad, Curaçao, Januari 1998

Ongeveer 50 jaar geleden begon men van wetenschappelijke zijde meer objectieve belangstelling te tonen voor dit van het W est- Europese ideaal afwijkende gedrag. In dit verband moeten in de eerste plaats de studies van Melville Herkovits, de grondlegger van de antropologische en sociologische bestudering van de Caribische samenlevingen, genoemd worden (Herkovits, 1947). Verder verdienen vermelding Franklin Frazier (Frazier, 1939), Raymond Smith (Smith, R.T., 1956), Micheal Smith, (Smith, M.G., 1962) e.a.

Uit de studies van Herkovits kwam een omschrijving van het gezin bij de negroïde volksklasse naar voren die, beperkt tot zijn meest essentiële kenmerken, als volgt kan worden weergegeven: "een groep van samenwonende bloedverwanten samengesteld uit moeder en kinderen, en, al of niet aanwezig in die groep, een man die ten opzichte van deze kerngroep een marginale positie inneemt. De moeder is de centrale, dominerende, permanente figuur."

De in de groep aanwezige man blijkt dikwijls niet met de moeder van de kinderen getrouwd te zijn en hoeft niet de biologische vader te zijn van al de kinderen die tot de groep behoren.

Dit gezinspatroon wordt dus gekenmerkt door 1) de frequente afwezigheid van de natuurlijke vader; 2) de centrale, dominerende positie van de moeder; 3) onwettigheid van geboorte. Deze grondstructuur van moeder met kinderen vinden wij terug in het spel van het Curaçaos kind, dat geen "Vadertje en moedertje" speelt, maar "Mama ku Yu" (Moeder en kind), zoals Ruth Zephrin eens heel scherp heeft opgemerkt (Zephrin, 1968).

Zoekende naar een verklaring voor dit patroon meende Herkovits dat toch vooral aandacht moest worden besteed aan het Afrikaanse verleden van de negroïde bevolkingsgroep: de polygynische structuur van de West-Afrikaanse man-vrouw relaties. De man die in West-Afrika een centrale rol vervulde temidden van zijn verschillende vrouwen, werd door de slavernij in het Caribisch gebied uit deze centrale positie gelicht (Herskovits,o.c. ). Hij mocht immers niet trouwen noch blijvend zich verbinden met een vrouw. Dit zou een beperking inhouden van de vrijheid van handelen van de meester ten opzichte van zijn slaven. Een verbod tot het gescheiden verkopen van man en vrouw zou reeds te veel in de eigendomsverhoudingen ingrijpen (Lier,van, 1972). Toen later in de 19de eeuw, onder druk van humanitaire/abolitionistische pressiegroepen, dit verbod werd ingesteld, sorteerde het weinig effect, zoals dat met meerdere beschermende bepalingen het geval was. De moeder bleef in deze situatie het stabiele punt, zoals zij dat ook in Afrika was geweest.

Eerder had Frazier er echter op gewezen dat aan de West-Afrikaanse oorsprong van de slaven geen al te absolute waarde moest worden toegekend en dat de belangrijkste factor naar zijn opvatting veel eerder gezocht moest worden in de slavernij in de nieuwe wereld. De voortplanting vond in die situatie plaats op basis van een wederzijdse genegenheid, waaraan door de partners geen eisen van enige duurzaamheid konden worden gesteld (Frazier, 1939).

De Memorie van Toelichting op het Wetsontwerp voor de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse kolonie Suriname merkt in dit verband op dat de negerslaven geen eigenlijk familieleven kennen en spreekt van "de onregelmatige en voorbijgaande verhouding, waarin veelal de beide seksen met elkaar leven..." (Van Lier, 1971).

Deze opvatting sluit nauw aan bij de zienswijze van de Raad van Policie op Curaçao in 1818 die ik hierboven aanhaalde.

Smith (Raymond) wees er anderzijds terecht op dat, indien deze structuur als een uitvloeisel moet worden beschouwd van de concrete levens-omstandigheden ten tijde van de slavernij, de vraag gesteld moet worden waarom zij, sedert de afschaffing van de slavernij, nu al meer dan eeuw geleden, niet is verdwenen. Er is op dit punt sprake van continuïteit, ondanks verandering in de omstandigheden.

De verklaring, vond hij, zou kunnen liggen in het feit dat er eigenlijk hooguit wat betreft de macrostructuur van de samenleving van verandering gesproken kan worden, maar dat op het niveau van de concrete levensomstandigheden van de zwarte volksmassa slechts in geringe mate sprake was van verandering; de sociaal-economische positie van de afstammelingen van de ex-slaven was in feite niet veranderd. Zij zijn een sociaal en economisch laag gewaardeerde positie blijven innemen. Hooguit kan er gesproken worden van een overgang van een landbouwproletariaat naar een industrieel/stedelijk proletariaat. Het type arbeid dat nog steeds voor hen is weggelegd, is maar weinig prestige verlenend. De economische mogelijkheden van de man en de geringe status die hij in sociaal opzicht aan zijn werk kan ontlenen, maken zijn positie ten opzichte van zijn gezin marginaal en vormen geen stimulans tot een gezinsleven naar westers patroon. Matrifocaliteit en marginaliteit van de man vinden hierin hun continue basis (Smith,1956).

De verklaring, vond hij, moest dus niet in het verleden, maar in de eigentijdse structuur van de samenleving gezocht worden. Tegenover de historische benadering stelde hij een functioneel-structurele benadering.

Deze theorie roept de vraag op waarom bij de nazaten van de Brits-Indische contract-arbeiders, die er sociaal en economisch dikwijls niet beter aan toe zijn, dit patroon niet wordt aangetroffen (Hoetink, 1963). Zij zijn er kennelijk in geslaagd hun oorspronkelijke cultuur veel meer in geïntegreerde vorm te behouden. Dit zou ervoor pleiten de historische factoren toch niet zonder meer arte wijzen, immers veel meer dan de contractarbeiders uit India zijn de negers letterlijk losgerukt uit hun cultureel milieu. In de Nieuwe Wereld moesten zij in een proces van geven en nemen, van acceptatie en afwijzing van allerlei vreemde, zowel Afrikaanse als Westerse cultuurelementen opnieuw vorm en inhoud geven aan hun bestaan. Wanneer hier gesproken wordt van "vreemde Afrikaanse cultuurelementen" dan moet dat gezien worden in het licht van het gegeven dat de slaven weliswaar voornamelijk uit West-Afrika afkomstig waren, maar dat er etnische verschillen waren tussen de verschillende streken waar zij van afkomstig waren, een aspect waar in eerdere hoofdstukken reeds op is gewezen.

Een belangrijk element in de studie van het "gezin" bij het negroïde volksdeel werd door Michael Smith ingebracht (Smith, 1962). Op basis van onderzoeken in vijfverschillende samenlevingen op de Brits-Caribische eilanden, kwam hij tot de conclusie dat niet van één gezinsvorm bij deze bevolkingsgroep gesproken kan worden, maar van verschillende vormen, die elkaar soms, maar soms ook niet, opvolgen. Hij onderscheidde het extra-residentiële concubinaat, waarbij man en vrouw gescheiden wonen en de kinderen uit een dergelijke verhouding geboren in het huishouden van de moeder zijn opgenomen.

Vervolgens kan deze vorm van samenleven zich voortzetten in een co-residentieel ongehuwd samenwonen, al of niet van langdurige aard. Deze samenlevingsvorm kan soms uitmonden in een huwelijk naar westers recht.

Marks vond voor Curaçao een soortgelijk patroon, waarin echter het huwelijk duidelijk meer voorkwam dan op de Engelstalige eilanden (Marks, 1976). De vraag dringt zich op of het frequenter voorkomen van het huwelijk bij de lagere sociale klassen op Curaçao in vergelijking met de rest van het Caribisch gebied niet wijst op de grote mate van verwestersing, die zich in de Curaçaose samenleving gedurende de laatste 50 jaar heeft voorgedaan.

Maar ook de theorie van Raymond Smith vindt hierin steun: er was immers niet alleen sprake van een grote mate van verwestersing, maar ook van een sprong voorwaarts in sociaal-economisch opzicht. De dynamiek van de moderne samenleving, die resulteerde in opvallende veranderingen in de sociale structuur, o.a. in een grote mate van sociale mobiliteit, veroorzaakte ook culturele veranderingen. De modernisering was een proces, dat zich niet alleen manifesteerde in uiterlijk waarneembare infrastructurele voorzieningen als water- en elektriciteitsvoorziening, wegenaanleg, telecommunicatie etc., maar ook in het in toenemende mate overnemen van westerse normen. Modernisering brengt altijd verwestersing met zich. In het geval van Curaçao bracht deze verwestersing o.a. met zich een streven naar een "middle class way of life" op basis van een wettig huwelijk.

Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat in iedere samenleving de structuur van samenlevingsvormen altijd gezien moet worden als het resultaat van een interactieproces van verschillende elementen in de tijd.

Historische factoren hebben altijd mede de eigentijdse structuur bepaald, terwijl door de historie heen een functionele aanpassing aan de concrete situatie groeide.