You are here

V.4 De "Sub-Culture Of Poverty"

  • Sharebar

Ik meen in verband met het voorgaande ook aandacht te moeten vragen voor de theorieën betreffende de "sub-culture of poverty".

Deze term werd voor het eerst gebruikt door Oscar Lewis in zijn studie over het Mexicaanse volksgezin. Op basis van onderzoeken elders (o.a. in Cuba en In- dia) ontwikkelde hij de theorie van de subcultuur van de armoede, die hij als een universeel verschijnsel ziet, dat zich niet beperkt tot nationale, regionale of andere dikwijls als sociaal relevant geachte grenzen.

Lewis stelt dat men onderscheid moet maken tussen armoede op zich en de sub-cultuur van de armoede die daarin zijn basis vindt en gezien moet worden als een "way of life", als een aanpassing van de arme aan de situatie waarin hij verkeert.

Armoede op zich is de afwezigheid van materiele mogelijkheden, het is "economic deprivation", het heeft een negatieve connotatie in zoverre dat daarmee de afwezigheid van "iets" wordt aangegeven. De subcultuur van de armoede wijst echter op een levenswijze die zich ontwikkelt, gegeven het feit dat bepaalde economische mogelijkheden ontbreken.

Het gaat om een aanpassing aan en een reactie op de marginale positie die deze categorie inneemt in een materialistisch georiënteerde en individualistisch ingestelde maatschappij, waarin waarden als de verwerving van eigendom en welstand in het streven naar sociale positieverbetering de drijfkracht worden voor het handelen.

Het is echter ook een poging om aan de gevoelens van wanhoop en uitzicht- loosheid het hoofd te bieden, gevoelens die zich onafwendbaar ontwikkelen in de confrontatie met het keiharde feit dat een vorm van geslaagd zijn, in termen van genoemde criteria niet bereikbaar blijkt.

Het is een verschijnsel dat zich voordoet bij alle marginale bevolkingsgroepen die behoren tot de laagste sociaal-economische lagen van maatschappijen die weinig mogelijkheden bieden tot vooruitgang als men niet over bepaalde vaardigheden beschikt.

Werkloosheid en gebrek aan een geregeld inkomen of een zeer gering inkomen leiden tot een chronisch geldgebrek en dientengevolge tot een geregeld lenen van geld en het verpanden van persoonlijke goederen.

Men refereert wel aan een "middle class"-levensstijl, die door de samenleving vía kranten, radio en televisie de burger als ideaal wordt voorgehouden. Men kan zich echter moeilijk onttrekken aan de concrete situatie waarin men leeft omdat de sub-cultuur van de armoede een gedragspatroon met zich meebrengt dat weinig mogelijkheden daartoe biedt. Het gedragspatroon is zelf-bestendigend.

Zo beschouwt men het samenleven van man en vrouw dat op basis van een huwelijk gekenmerkt wordt door enige duurzaamheid als de ideale vorm, maar komt men zelden tot trouwen. De positie van de vrouw is overigens bij een concubinaatsverhouding dikwijls sterker, wat echter niet wil zeggen dat de vrouw bewust voor het concubinaat kiest.

In de concrete situatie waarin zij moet leven, blijkt haar positie bij een concubinaatsverhouding ook positieve kanten te hebben omdat het sociaal gedrag van mannen in de sociale klasse waartoe zij behoort dikwijls aanleiding geeft tot moeilijkheden. In zo'n geval kan het samenleven zonder veel plichtplegingen worden beëindigd.

De man is in een dergelijke verhouding een marginale figuur die slechts betekenis heeft voorzover hij zorgt voor een dikwijls zeer onregelmatig en meestal karig inkomen.

Beziet men de situatie op buurtniveau, dan vallen vooral de erbarmelijke woontoestanden op: slechte behuizing en overvolle woningen. De buurt maakt een rommelige gedesorganiseerde indruk. De buurtgenoten hebben echter wel een zeker, hoewel broos solidariteitsgevoel, een "esprit de corps" die groot kan zijn wanneer de buurt bestaat uit mensen met een gemeenschappelijke achter- grond, zoals destijds de Bonaireanen en Bovenwinders op Curaçao en op Aruba. Het gezinsleven wordt gekarakteriseerd door a) de frequente afwezigheid van de man/vader, b) de centrale, dominante positie van de moeder, c) het ontbreken van de puberteit als overgang naar de volwassenheid ten gevolge het vroege begin van de sexuele ervaring (tíenerouderschap), d) autoritaire verhoudingen tussen ouders en kinderen met weinig verbaal contact.

Op het persoonlijke vlak zijn bepaalde trekken als afhankelijkheid, uitzicht- loosheid, impulsiviteit en minderwaardigheidsgevoelens te signaleren. Door het chronisch gebrek aan geld is het handelen gericht op de directe behoeftebevrediging; het geld dat binnenkomt moet meestal meteen worden uitgegeven aan zaken waar reeds lang behoefte aan bestond. Dat daar dikwijls ook luxezaken onder zijn, valt te begrijpen in een samenleving waar de economie door reclame draaiende wordt gehouden.

Parallel hieraan treft men ook een sexueel gedrag aan dat sterk gericht is op de bevrediging van de opgekomen sexuele behoefte. De burgerlijke instelling, die zich kenmerkt door uitgestelde behoeftebevrediging, ontbreekt zowel op het economische als op het sexuele vlak.

Opvallend is tenslotte een fatalistische levenshouding.